<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<rss version="2.0" xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/">
<channel>
<title>Mooi</title>
<description>Welkom op de website van Mooi van de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten in Nederland. Op deze website kunt u reageren op artikelen in het Moo! magazine en op elkaar.</description><link>http://mooi.bondveg.nl/phorum/index.php</link><lastBuildDate>Sat, 13 Jun 2026 04:59:09 +0000</lastBuildDate>
<generator>Phorum 5.2.16</generator>
<item>
<guid>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?4,30,30#msg-30</guid>
<title>Forum regels (geen antwoorden)</title><link>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?4,30,30#msg-30</link><description><![CDATA[ U bent natuurlijk van harte welkom op het forum van de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten in Nederland, toch willen wij u wijzen op een aantal spelregels.<br /><br />Grove woorden worden niet op prijs gesteld, ook is het niet de bedoeling dat u op de persoon reageert, maar u reageert op het onderwerp, stelling of mening. Probeer met argumenten op elkaar te reageren en respecteer de mening van een ander, ook als u het daar niet mee eens bent.<br /><br />Wij hopen op interessante discussies op dit forum, en wensen u veel plezier met het lezen en reageren op ons forum.<br /><br /><i>De moderators &amp; administrator.</i>]]></description>
<dc:creator>Mooi</dc:creator>
<category>Uw onderwerp</category><pubDate>Wed, 17 Aug 2011 15:19:19 +0000</pubDate></item>
<item>
<guid>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,29,29#msg-29</guid>
<title>Heerde (2 antwoorden)</title><link>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,29,29#msg-29</link><description><![CDATA[ <b><i>Dat is mooi! We voelen ons een jonge en frisse gemeente van net 175 jaar oud, hebben net stil gestaan bij het feit dat we die prachtige leeftijd hebben bereikt, en dan worden we door de redactie van MOO ! getypeerd als een heel oude gemeente!</i></b><br /><br />Heerde is inderdaad de oudste gemeente in de Bond, maar we voelen ons niet oud. Alle leeftijden zijn vertegenwoordigd in de gemeente en er zijn 166 kinderen jonger dan 12 jaar. Een gemeente waar doopdiensten worden gehouden, trouwdiensten worden gevierd en waar soms ook afscheid moet worden genomen van kostbaar leven. Heerde is een groeiende gemeente met een goede sfeer. Maar ook een gemeente waar zorgen zijn om het geloofsleven van de mensen. Wij zien ook dat het kerkbezoek, de deelname aan gemeentelijke activiteiten en de beschikbaarheid en inzet van vrijwilligers verandert. Was er maar meer ‘vurig verlangen’ onder de leden van de gemeente om de Heer en zijn gemeente te dienen.<br /><br />Hoewel Heerde de oudste Bondsgemeente is (1835), is zij niet vanaf het begin lid van de bond maar pas later aangesloten (1904). Heerde voelt zich verbonden met de Bond en de bondsgemeenten. Toch kan de verbinding met andere gemeenten, bij voorbeeld rond de praktijk van de doop en de inrichting van de eredienst als uiting van een andere visie, wel onder druk komen te staan. Dat is een moeite maar tegelijkertijd ook een uitdaging. Daardoor vragen we ons wel eens af welke plek we in de Bond innemen. We willen graag voor onszelf en de wereld om ons heen geloofwaardig zijn. In ons dorp Heerde heeft de Vrije Evangelische Gemeente een eigen plek. Ze heeft een open houding naar de andere kerkgenootschappen en werkt ook met hen samen bij interkerkelijke projecten. Soms blijkt het daarbij moeilijk om als gezamenlijke kerken met één gezicht naar buiten te treden. In een kleine gemeenschap als Heerde geeft dit vragen en leidt het zo nu en dan tot onbegrip. Onze gemeente neemt ook zelfstandig initiatieven om in de samenleving van betekenis te zijn. Er worden laagdrempelige diensten georganiseerd waarvoor uitnodigingen worden uitgedeeld. Jaarlijks staat er een kerststal in het centrum van het dorp waar elk half uur het evangelie wordt gelezen, steeds in een andere taal. Er is ook een kerstherberg waar veel mensen naar toe komen. Zo geven we gestalte aan onze opdracht om in de wereld zichtbaar te maken wat ons drijft.<br /><br />De vraag voor dit artikel was: wie zijn jullie? Misschien is dit wel het beste te omschrijven met een stukje van een lied uit de jubileummusical van onze gemeente:<br /><i>Vol vertrouwen gaan, in de wereld staan. S amen verder, volg de Herder, op een nieuwe toekomst aan!</i>]]></description>
<dc:creator>Mooi</dc:creator>
<category>Uit het magazine</category><pubDate>Mon, 28 Oct 2019 08:29:00 +0000</pubDate></item>
<item>
<guid>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,28,28#msg-28</guid>
<title>Franeker 1881; De plaats waar de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten is opgericht (2 antwoorden)</title><link>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,28,28#msg-28</link><description><![CDATA[ Terwijl de Universiteit in 1811 is gesloten, is Franeker in 1881 nog steeds een levendig stadje met 7169 inwoners. De bewoners van het academiegebouw zijn niet meer de studenten (zoals Anna Maria van Schurman, 1607-1678, geleerde, dichteres en kunstenares.) en professoren (zoals Descartes, 1596-1650, filosoof en wiskundige) , maar patiënten en verpleegkundigen van het psychiatrische ziekenhuis. Hoewel, ‘patienten’ is misschien wat eufemistisch voor de opgesloten bewoners, ‘verpleegkundigen’ voor de bewaarders en ‘ziekenhuis’ voor inrichting/ gesticht. ‘Naar Franeker gaan’ is een vaste uitdrukking geworden voor ‘niet goed snik zijn’. Werkgelegenheid is er in de handel van cichorei en andere landbouwproducten, in de opkomende industrie en de middenstand, al is er in deze periode wel een tijdelijke teruggang van de economie. Vaarwegen, de spoorweg en verbeterde landwegen zorgen voor goede verbindingen. Eén van de jaarlijkse hoogtepunten voor de stad is de z.g. PC dag, ‘het Wimbledon’ van de kaatssport, georganiseerd door de ‘Permanente Commissie (PC) der Franeker Kaatspartij’. Biij de oprichting van de Bond in Franeker kent de stad de volgende plaatselijke kerken: een Rooms-Katholieke parochie, een (vrijzinnige) Hervormde gemeente, een Doopsgezinde gemeente, een Baptistengemeente, een Vrije Evangelische gemeente, een Gereformeerde Kerk A (Afscheiding) waar dr. H. Bavinck op dat moment predikant is en een Gereformeerde kerk B (Doleantie).<br /><br />De Vrije Evangelische Gemeente Franeker bestond vijf jaar toen de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten in haar kerkgebouw werd opgericht. Vanaf het ontstaan tot op de dag van vandaag hebben de doopleden, leden en vrienden van de gemeente samen het geloof vorm en inhoud gegeven. Daarbij veranderden met iedere generatie de ‘manieren van doen’ en ‘manieren van geloven’. Gastvrijheid, aandacht voor elkaar en het persoonlijk geloof bleken van blijvende waarde. Staande in die traditie proberen we ook in deze tijd plaats te maken en aandacht te hebben voor betrokkenen en ‘voorbijgangers’. De onderlinge eenheid vinden we belangrijk, maar er moet daarbij voldoende ruimte zijn voor verscheidenheid. Ieder gelooft immers op een andere, eigen manier in dezelfde Vader, Zoon en heilige Geest. Vanuit die overtuiging zijn er met de andere kerken van Franeker goede contacten, onder andere via de Raad van Kerken. De gemeente heeft haar taken onderverdeeld in drie clusters: leren, vieren en dienen. In ieder cluster hebben werkgroepen eigen taken en bevoegdheden. Met vele handen proberen we niet allen het werk licht te houden maar ook ruimte te bieden voor ieders inbreng. Dat neemt niet weg dat (ook) wij er slechts zeer beperkt in slagen nieuwe generaties aan te spreken. Dit roept soms heimwee op naar vroeger, hoewel we ons realiseren dat we niet terug in de tijd kunnen of willen. Ons beleidsplan kreeg de titel mee ‘Je staat er niet alleen voor’. Die titel spreekt vertrouwen uit in God, in elkaar, de Bondsgemeenschap en in de wijde gemeente van Christus. Ook spreekt het van vertrouwen in de toekomst: ga maar, je staat er niet alleen voor.<br /><br />Dorette van Houten]]></description>
<dc:creator>Mooi</dc:creator>
<category>Uit het magazine</category><pubDate>Mon, 28 Oct 2019 08:30:28 +0000</pubDate></item>
<item>
<guid>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,27,27#msg-27</guid>
<title>De bidstond (geen antwoorden)</title><link>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,27,27#msg-27</link><description><![CDATA[ <b>Geïnspireerd door voorafgaand Bijbellezen wordt tijdens het gemeentegebed gebeden en gedankt, doorgaans onder leiding van voorganger of kerkenraadslid.</b><br /><br /><b>De christelijke Gemeente</b> ontving haar levensadem en komt nog altijd op adem in een sfeer van gebed. Ook onze Bond en veel van onze gemeenten zijn in een bidvertrek geboren. 50 jaar geleden was het vanzelfsprekend dat iedere Vrije Evangelische gemeente een bidstond kende, want – zo werd gezegd –: ‘Dat is de kurk waar de gemeente op drijft.’ Kent u de uitroep ‘Oremus’? Letterlijk betekent die: Laat ons bidden! Maar als je zegt: ‘Het is daar oremus’, bedoel je dat het er treurig aan toegaat of iets tot vervelens toe wordt herhaald. Zulke gedachten kleven ook aan de bidstond. Een van onze predikanten zei niet lang na de tweede wereldoorlog: ‘Wil je een samenkomst met weinig mensen, dan moet je die bidstond noemen.’ Toen een bidstondbezoeker voor de zoveelste keer oneindig lang bad, zei ds. D.W. Veldkamp: ‘Terwijl onze broeder zijn gebed afmaakt zingen wij een lied’.<br /><br /><b>De gemeente Goes</b> had in mijn jeugd twee bidstonden, in de vroege zondagmorgen en op een doordeweekse avond. Tijdens de theologiestudie hadden wij als studenten geregeld een bidstond onder leiding van de rector ds. J. van de Werfhorst. Tot op vandaag neem ik graag deel aan het gemeentegebed. Ik heb dat ook beloofd toen ik bij mijn geloofsbelijdenis ja zei op de vraag: Wens je met ons te volharden in de gebeden? Die vraag gaat over meer dan alleen de bidstond, maar die hoort er wel bij.<br /><br /><b>Wat doen wij als wij bidden?</b> Wij aanbidden en danken God om wat Hij deed en doet en haken in op Zijn beloften. In de voorbede vragen wij om hulp en uitkomst voor mensen en problemen die Hem en ons ter harte gaan. Bidders zijn als waaierbijen die vlak achter de ingang van de bijenkorf onophoudelijk met hun vleugels heen en weer gaan om de luchtcirculatie op gang te houden, zodat binnen en buiten de korf geleefd en gewerkt kan worden. De oosterse kerken zien de voorbede als de bloedsomloop in het Lichaam van Christus.<br /><br /><b>Bidden is ingeschakeld zijn</b> in het werk van Christus ten behoeve van kerk en wereld. Hij is na zijn hemelvaart een nieuwe fase van zijn werk ingegaan. Hij heeft een invloedrijke positie aan de rechterhand van de Vader. De relatieve verwaarlozing van Jezus’ priesterlijke voorbede in dogmatieken van deze tijd vraagt om correctie en compensatie. Gebed is de meest wezenlijke bezigheid van de verhoogde Heer. Gunning Jr. zei dat God de wereld regeert door de gebeden van zijn kinderen. Ik zeg liever dat God de wereld regeert door het gebed van zijn Zoon en van zijn kinderen. Door ons bidden in Jezus’ naam worden wij ingeschakeld in Zijn werk. ‘Het gebed is het feitelijke, reële aandeel van de mens aan Gods wereldheerschappij’ (Barth, KD III ,3, 323). Gebed is voor het geloofsleven wat origineel onderzoek is voor de wetenschap. Wij komen erdoor in contact met de wereld van Gods ongekende mogelijkheden. Op Gods toekomst gerichte bezigheden beginnen met de bede: ‘Laat Uw koninkrijk komen en Uw wil gedaan worden op aarde zoals in de hemel’.<br /><br /><b>Wie handen vouwt</b>, moet die ook uit de mouwen steken! Benedictus van Nursia verrichtte veel werk. Hij gaf ons de spreuk: ‘Bid en werk!’ En hij bad: ‘O genadige en heilige Vader, geef ons wijsheid om U op te merken, ijver om U te zoeken, geduld om op U te wachten, ogen om U te zien, een hart om diep over U na te denken en een leven om U te prijzen en te verkondigen’.<br /><br />Jan H. Karelse]]></description>
<dc:creator>Mooi</dc:creator>
<category>Uit het magazine</category><pubDate>Wed, 17 Aug 2011 15:03:54 +0000</pubDate></item>
<item>
<guid>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,26,26#msg-26</guid>
<title>Vol verwachting ons hart... (geen antwoorden)</title><link>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,26,26#msg-26</link><description><![CDATA[ ‘Als ik, 18 jaar jong, in Utrecht aankom om aan de Theologische School theologie te gaan studeren, klopt mijn hart vol verwachting. Nu zal ik erachter komen hoe het allemaal exact in elkaar zit met geloven en leven. En vooral met de toekomst. Wat mag je precies verwachten?’ ik heb wel een boekje voor de catechese waarin het allemaal staat beschreven. Langs welke lijnen zich onze verwachting beweegt. Maar dat is me allemaal te kort door de bocht. Ik wil het dieper en breder weten. En vooral: anders. Sommige docenten kunnen er veel over vertellen. De twee bij wie ik elke zondag in de kerk zit ook wel, maar minder. En het valt me op dat ze het er in hun preken eigenlijk nooit zo over hebben. Kennelijk passen die ideeën niet zo goed bij wat zij denken dat de gemeente nodig heeft te weten en te geloven. Ik kom er niet uit.<br /><br /><b>Ontdekking</b><br />Pas veel later, jaren later ontdek ik dat het eigenlijk ook niet zo vrij-evangelisch is om te weten hoe alles precies in elkaar zit. Ook niet met de toekomst. Ik ontdek de Beginselen. Die stammen uit de tijd van de stichting van de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten. Als het daarin over de toekomst gaat, gaat het eigenlijk alleen over Jezus Christus, die we verwachten. Hij zal brengen waarover de profeten spraken en waar Hij geleden heeft zal Hij verheerlijkt worden. En die goede boodschap moet je aan alle volken brengen. Ik kan me dan ook goed voorstellen dat het ds. Marinus Mooij, één van de opstellers van de “Beginselen” en één van de mensen die aan de wieg van de Bond staan, in het verkeerde keelgat schiet wanneer in het begin van de 20e eeuw een paar predikanten schrijven over “Wat geloven en belijden wij in de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten in Nederland?”. Daarin vertellen ze nauwkeurig langs welke lijnen zich de toekomst zal ontwikkelen. De gespannen verwachting van de komende Heer is ingeruild voor een toekomstleer die vastligt. Bij sommige collega’s heb ik dat breed uitgewerkt in een schema boven hun bureau aan de muur zien hangen. Daar kon je precies op aangeven hoever we zijn in het plan van God met deze wereld en zijn gemeente en Israël. Ds. Mooij vindt dat het zo niet kan. Hij vindt dat je van de bijbel geen leer-boek moet maken omdat de Heilige Schrift een levens-boek is.<br /><br /><b>Verandering</b><br />Er is dus nogal wat veranderd in de geschiedenis van de Bond zo rond de overgang van de 19e naar de 20e eeuw. Ook in de toekomstverwachting. Je kunt zeggen dat dit opnieuw is gebeurd in de jaren na de tweede wereldoorlog. In plaats van een uitgewerkte leer van de toekomst is het accent in veel gemeenten veel sterker komen te liggen op de verwachting van het Koninkrijk van God. Ik heb ernaar gezocht hoe die verandering tot stand kan zijn gekomen. En ik ben tot de conclusie gekomen dat die alles te maken heeft met de manier waarop in beide gevallen gedacht wordt over God. En dan vooral over hoe God in de geschiedenis van mensen en wereld aanwezig is. Hoe Hij zijn plannen gestalte geeft. En ook wat de rol van mensen in heel die geschiedenis van God en mens en wereld kan zijn.<br /><br /><b>Over God denken...</b><br />Je kunt aan God denken als Degene die ooit zijn plan heeft opgesteld en daaraan onwrikbaar vasthoudt. Waarbij mensen op geen enkele manier een rol spelen op weg naar de toekomst. “God heeft ons toch belóófd dat er hongersnoden en oorlogen zouden komen”, zegt het meisje dat tegenover me zit. Voor háár is daarin geen rol weggelegd. Eenzelfde houding kom ik tegen in uitspraken van leidinggevenden in onze Bond op Bondsvergaderingen in de oorlogstijd. Ze spreken over “de evacuatie” van de joodse landgenoten, waardoor ons land er anders is gaan uitzien. Daartegen protesteren, zoals andere kerken doen, behoort niet tot de taak van de gemeenten. Laat staan het verbergen van deze vervolgde Joden. Wel ontdekken ze in deze ontwikkeling een volgende stap in de vervulling van Gods plan. En in onze dagen lees ik verhalen over de “zogenaamde” klimaatcrisis. Waarin staat dat elke poging om onze aarde te redden menselijke hoogmoed is. Gód gaat immers over het klimaat. Het risico bij zulke gedachten is groot dat je met de armen over elkaar toeschouwer blijft in plaats van uitgedaagde. Je kunt ook aan God denken als Degene die met zijn mensen een verbond heeft gesloten en ze als zijn medewerkers in dienst neemt. Aan wie Hij volgens het scheppingsverhaal de opdracht meegeeft de plek op aarde waar God hen heeft neergezet te bewerken en te bewaren. Je kunt aan God denken als Degene die “berouw” heeft over plannen die Hij heeft aangekondigd. En als mensen reageren slaat Hij andere wegen in. Ik denk aan Jona en Ninevé. Je kunt aan God denken als Degene die een hart heeft dat bewogen is over zijn mensen en zijn schepping en daarom tot in zijn binenste geraakt wordt door wat op aarde wordt geleden.. Die daarom met zijn Geest onder ons en in ons aanwezig blijft om mens en wereld vast te houden. Die een toekomst wil ontsluiten waarin elke knie zich zal buigen en elke tong zal belijden dat Jezus Heer is. Om zo tot zijn eer te komen als God en Vader. Achteraf denk ik: Naar díe God, naar díe toekomst was ik op zoek toen ik, 18 jaar jong, in Utrecht aankwam. Opgroeiend en ouder wordend, hebben, in een land dat seculariseert en waar de kerkverlating om zich heen grijpt, woorden van de dichter A. Roland Holst me vergezeld:<br /><br /><i>Ik zal de halmen niet meer zien noch binden ooit de volle schoven maar doe mij in den oogst gelooven waarvoor ik dien...</i><br /><br />Die verwachting deed mijn hart kloppen, de jaren door. Dan kom je als vanzelf ook in de buurt van het gebed dat Jezus ons voorbad:<br /><i>Uw Koninkrijk kome.</i><br /><br />Martin Nijkamp]]></description>
<dc:creator>Mooi</dc:creator>
<category>Uit het magazine</category><pubDate>Wed, 17 Aug 2011 14:59:15 +0000</pubDate></item>
<item>
<guid>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,25,25#msg-25</guid>
<title>Een uurtje aan de keukentafel (geen antwoorden)</title><link>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,25,25#msg-25</link><description><![CDATA[ Eenvoud is het kenmerk van het ware. Dat blijkt bij de Vrije Evangelische Gemeente, een klein kerkje tegenover het Westeinde ziekenhuis aan de rand van de Schilderswijk in Den Haag.<br /><br />Een vreemde vergelijking dringt zich op, tijdens de eenvoudige kerkdienst in de Vrije Evangelische Gemeente. Ik moet opeens denken aan het Centre Pompidou in Parijs, het gebouw waarvan alle constructies en buizen zichtbaar zijn, in plaats van weggewerkt. Daardoor ontstaat een transparante schoonheid die respect afdwingt. Ook vanmorgen zie ik geen gladgepolijste elementen. Geen vloerverwarming, maar twee enorme gaskachels met grote pijpen. Geen onzichtbare organist die ergens verstopt zit, maar een man die het orgel vanaf het podium bespeelt en tussendoor bij de kerkgangers gaat zitten. Geen ingewikkeld gedoe als tijdens het Avondmaal de geluidsinstallatie het opeens niet meer doet. Nee, de technische man zegt gewoon tegen ds. Wessel Verdonk dat-ie even wat harder moet praten. En dat doet Verdonk.<br /><br /><b>Kring</b><br />Dat laatste kan ook gemakkelijk, want er zijn maar drieëntwintig kerkgangers. We zitten gedurende de hele dienst in een grote kring rondom de avondmaalstafel. Verdonk staat ook in die kring, op gelijke hoogte, tussen de anderen. Hoewel hij alles van een papier voorleest – zelfs votum en groet – lijkt het alsof hij aan de keukentafel zittend een gesprek met de gemeente voert. Geen domineestoon, niets plechtigs. Wel: eenvoudig en daardoor mooi taalgebruik. Tekenend vind ik de manier waarop hij het Avondmaal aankondigt: ‘We gaan Avondmaal vieren. Ga maar staan.’<br /><br /><b>Geen poespas</b><br />Ikzelf houd van enig ceremonieel, van iets verhevens en statig-eerbiedigs in woorden en gebaren, van een hoogliturgische dienst in een monumentale kerk. Dit hier echter ervaar ik opeens als iets moois. Ontwapenend. Geen poespas, maar allerminst oppervlakkig of simplistisch. Verdonk legt een lastige bijbeltekst op heldere wijze uit, en gaat – als je net denkt dat de portee wel duidelijk is – nog een tandje dieper. Hij houdt de buurt, zichzelf en ten slotte de gemeenteleden een kritische spiegel voor. Dit gebouw en deze mensen draaien er niet omheen. Met als gevolg dat ik me even in Parijs waan, oog in oog met een doorzichtige grootsheid. Wat valt op? Ondanks 23 aanwezigen een welluidend zingende gemeente. Alle leeftijden zijn vertegenwoordigd. Na afloop koffie met een grote taart: Verdonk is vandaag jarig.<br /><br />Margot C. Berends]]></description>
<dc:creator>Mooi</dc:creator>
<category>Uit het magazine</category><pubDate>Wed, 17 Aug 2011 14:55:00 +0000</pubDate></item>
<item>
<guid>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,24,24#msg-24</guid>
<title>Zingen in de tijd van je leven (geen antwoorden)</title><link>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,24,24#msg-24</link><description><![CDATA[ <b><i>Liederen gaan mee met de tijd. Ze zijn aan de tijd gebonden, maar kunnen de tijd ook overleven. Jeannet van de Kamp gaat op zoek naar de ontwikkeling in liedteksten, die in de Bond een rol hebben gespeeld, waaronder het ‘zusterlied’, en het lied van VEJO Nederland.</i></b><br /><br />De liederenschat van de kerk verandert. In 1973 verschijnt het nieuwe Liedboek voor de Kerken met veel oude, maar vooral nieuwe liederen. De bundel van Johannes de Heer wordt in 1991 vernieuwd. De Evangelische Liedbundel verschijnt in 1999 en Opwekking is niet meer weg te denken uit veel evangelische gemeenten.<br /><br /><b>Het zusterlied</b><br />“In de zeventiger jaren werd het oude ‘zusterlied’ door zo‘n vierhonderd vrouwen op een Vrouwen Ontmoetingsdag (VOD) nog uit volle borst gezongen”, vertelt Betsy de Boer-van Bruggen (oud-voorzitter van het landelijke Vrouwenwerk) Maar het lied werd daarna steeds meer als uit de tijd ervaren. Betsy vervolgt: “Bij het voorbereiden van de 35e VOD Bezochten we met een deel van de Commissie Vrouwenwerk Hanna Lam. We wilden haar vragen voor een lezing. Ik weet niet meer of Hanna het zelf aanbood, of dat wij het haar vroegen, maar zij wilde wel een nieuwe tekst voor ons schrijven. Zo zongen wij op onze Jubileumviering in 1985 haar -en daarmee ons- nieuwe vrouwenlied”<br /><i>Wij zeggen met ons lied U dank omdat wij leven. Wij hebben met elkaar weer hoop en moed gekregen. Neem onze woorden aan als bloemen uit de hof. Wij brengen ze bijeen uit dankbaarheid en lof. Door kou heen en gemis door wel en niet geloven, klinkt de verwondering: uw liefde zal nooit doven. Geef ons als vrouwen moed om machten te weerstaan, te bouwen aan een rijk van samen voortbestaan. Blijf dicht bij ons o God, al zijn er vele vragen. Til ons er bovenuit laat toch uw toekomst dagen. Zo, speurend naar het heil, naar wegen van het recht, komen we dichterbij elkaar en u terecht. Tekst: Hanna Lam , muziek: Johann Crüger/ Dank t, dank t, dank t nu all en God “</i><br /><br />Wat maakt dat een lied gedateerd kan raken?” vraag ik aan Betsy. “Het oude zusterlied is aan de ene kant dierbaar en vertrouwd ” zegt ze. “Maar wat toen goed leek is nu benauwend geworden. Er was geen twijfel aan hoe je als vrouw moest leven. ‘eenvoudig en nederig op een door God beschikt plekje’, ‘getrouw en ootmoedig’ en ‘dienstbaar’. De druk van de opdracht om zo te moeten zijn, gaf je een gevoel van kleinheid”:<br /><i>Voorwaar niet door schitterende daden van wijsheid en fierheid en kracht wordt zusters uw taak hier op aarde naar eis van uw roeping volbracht - Maar slechts door getrouw en ootmoedig het goede te doen voor de Heer. Dan zegent Hij ’t werk uwer handen en kroont u met vreugde en eer. Eenvoudig en nederig zij ’t plekje u hier in Gods wijsheid beschikt. Wees zeker dat daar ook Zijn zegen uw harte vertroost en verkwikt. Hij zal u in liefde gedenken staat helpend u immer ter zij, en vaak zal Zijn stem u verzekeren; mijn kind , ook dit werk is voor mij. Gezegend en anderen ten zegen - wat, zusters verlangt gij nog meer? Dat wordt gij door anderen te dienen naar ’t voorbeeld van Christus , uw Heer. Komt steunen en sterken we elkander om vrolijk te wandelen in het licht, het hart vervuld van Gods vrede en het oog op de Meester gericht.</i><br /><br />In het lied van Hanna Lam staan vrouwen fier rechtop. Samen met mannen wacht hen de uitdaging om het geloof te vieren en zichtbaar te maken in de wereld. In de Beginselverklaring van onze Bond wordt al met nadruk gesteld dat er een grote vrijheid is binnen de VEG in de liederenkeuze. “Hierover wordt niet getwist en dienaangaande wordt niets bepaald”. Er is dan ook in al die 130 jaren daarna van alles gezongen! Psalmen in de oude berijming, de bundel van 1938, Johannes de Heer, evangelische liederen, praise liederen, taize, Bijbelliederen van Huub Oosterhuis, etc.<br />Diverse gemeenten stellen eigen bundels op met ‘favorieten’. Voor de meeste liederen geldt dat ze een tijd lang ‘passen’ en daarna uit de gratie raken of herzien moeten worden. Het oude zusterlied is daarvan een goed voorbeeld.<br /><br /><b>Jeugd en jongeren</b><br />Veel ouderen kunnen het aloude VEJO lied nog bijna uit hun hoofd meezingen:<br /><i>Wij als VEJO zijn verbonden één in Christus door zijn bloed, die aan ’t kruis voor onze zonden tot verzoening heeft geboet. Ik wil voor mijn Heiland strijden spreken van zijn dierbaar woord, ‘k wil in woord en daad belijden dat mijn hart hem toebehoort. muziek: J.Hoekstra, tekst: S. Hoekstra</i><br /><br />Het VEJO lied zou ook door ouderen gezongen kunnen worden. In de jaren ‘90 wordt op verzoek van het Jeugd- en Jongerenwerk een lied geschreven voor de manifestatie PLOEG. Voor het Ploeglied van het Jeugd- en Jongerenwerk geldt ook dat het qua tekst een tijdsbeeld weergeeft van weleer. Het is duidelijk geschreven voor jonge mensen; vitaal. Het gaat over ‘kracht’, ‘de hele aarde’ is in beeld, de ‘toekomst’ ligt open en is hoopvol. De tekst is ook qua taalgebruik vitaal; in gebiedende wijs gesteld. ‘Ga’, ‘voel’, ‘laat’, ‘geef’. En het geloof wordt aangezegd: ‘Wees verzekerd’,<br />’’t Is de Schepper’.<br /><i>Refrein: Geef heel je kracht haal het onderste boven. ’t Is God die lacht, Hij plaatst jou in het licht. Laat heel de aarde dit lied van je horen: scheppende kracht naar de toekomst gericht. Ga de stem niet voorbij in je leven. Voel de kracht in jezelf en ga door! Laat de stem van de hoop richting geven. ’t Is de Geest om je heen, geef gehoor. Refrein: Ga het licht niet voorbij en blijf groeien. Vind de bron, vul je hart, zoek gericht. geef de ander ook ruimte te groeien. Gun de ander de warmte, dit licht. Refrein: Ga de droom niet voorbij en blijf spreken over dromen van vrede en recht. Wees verzekerd het duister zal breken. ’t Is de Schepper die dit tot je zegt. Refrein: muziek: J. Roorda , tekst W. Tiemersma - Veenstra</i><br /><br />‘Hedendaags’ is het gelegenheidslied van Kamminga. Gecomponeerd voor de viering van het 125 jarig bestaan van de Bond in 2006.<br /><br /><i>Geloven dat is doen waarvan je denkt: zo zal het wel zijn. Geloven dat is weten in je hart: water wordt wijn. Geloven is een stapje: proberen of het ijs je al houdt. Geloof is een sensatie die je voelt als je het leven vertrouwt. Geloven is vertrouwen op de knop: hij zal open gaan, ’t is kloppen op de deur die al die tijd blijkt open te staan. Geloof is verwachting: wie blaast op de fluit krijgt geluid. Geloof dat is zelfontdekking: wat er in zit dat komt er uit. Geloven ziet de toekomst vandaag maar weet nog niet hoe. Geloven weet geen zichtbare weg, maar wel waar naar toe. Geloof, hoop en liefde, een trio dat alles doorstaat. Geloven is de sleutel om te weten waar het leven om gaat. Tekst en muziek: Marten Kamminga</i><br /><br />‘Geloven’ is het kernwoord en het wordt veelkleurig en behoedzaam omschreven. ‘Het onmogelijke doen’, ‘wagen’, ‘vertrouwen’, ‘toekomst, maar niet klip en klaar’, ‘zelfontdekking’, ‘geen zichtbare weg- wel weten waar naartoe’.<br /><br />Wat we zingen weerspiegelt ons geloof en vooral ook de tijd waarin we leven. Ons zingen is: bidden, danken, lofzeggen, smeken, herinneren, troosten, bemoedigen, delen. Alles wat we aan geloof, hoop en liefde, (of ongeloof, wanhoop en haat) in ons meedragen, klinkt in wat we zingen. Ons lied gaat hemelwaarts en naar elkaar. Er is geen eenstemmigheid over welke liederen ‘mooi’ zijn, ‘goed’ zijn, maar de wijsheid van de vaderen die klinkt in de Beginselverklaring behoedt ons om hierover te twisten. We verenigen ons in koren, cantorijen, projectlied-groepen, voorzang- groepen, kwartetten en zingen!]]></description>
<dc:creator>Mooi</dc:creator>
<category>Uit het magazine</category><pubDate>Wed, 17 Aug 2011 14:52:05 +0000</pubDate></item>
<item>
<guid>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,23,23#msg-23</guid>
<title>Op zondag naar de kerk? (geen antwoorden)</title><link>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,23,23#msg-23</link><description><![CDATA[ <b><i>Vroeger gingen wij ’s zondags altijd naar de kerk. Een gezin aan de overkant van het water ging naar de samenkomst en de buren, twee huizen verder, namen deel aan de viering van de mis. Begrippen voor het ritueel om als gelovigen op de dag van de opstanding bijeen te komen. Drie woorden voor in principe hetzelfde gebeuren? We zullen zien. Ik gebruik de termen als kapstokken om iets te zeggen over de ontwikkelingen met betrekking tot de liturgie op het erf van onze gemeenten. Aanduidenderwijs.</i></b><br /><br /><b>Naar de kerk gaan</b><br />Naar de kerk gaan betekende voor mij een dienst meemaken waarin gezongen, gepreekt en gebeden werd. Er werd gezongen uit Psalmen en Gezangen voor de eredienst der Nederlandse Hervormde Kerk (1938) en naar mij achteraf bleek werd er voor allerlei bijzondere gebeurtenissen – dopen, avondmaal en bevestigingen – geput uit het Dienstboek (in ontwerp) voor de Nederlandse Hervormde kerk. Globaal gesproken hield men zich aan het ‘kerkelijk jaar.’ De keuze van de Schriftlezingen was aan de dominee.<br /><br /><b>Aandacht voor de liturgie</b><br />Toen ik predikant werd, halverwege de jaren zestig, kregen inhoud en vormgeving van de kerkdienst steeds meer aandacht. Ook in de protestantse kerken. Het is de tijd van groeiende oecumenische contacten en daarmee van een toenemend besef van maatschappelijke en diaconale verantwoordelijkheid. Op mijn eerste werkplek maakte ik kennis met het gebruik van een ‘leesrooster voor de zondagsviering.’ In de praktijk betekent het dat de keuze van de Schriftlezingen niet wordt overgelaten aan de individuele voorganger. Dat verloste mij van de druk om elke zondag weer een lezing voor een zogenaamde actuele prediking te moeten zoeken en je bereikte er mee dat de breedte van de bijbel beter tot zijn recht kwam. Ook de mindergevallige delen kwamen aan de orde. Meedoen aan de Week van gebed voor de eenheid der christenen aan het begin van een nieuw jaar betekende kennisnemen van vaste lezingen, liederen en gebeden. Je laten aanspreken en inspireren door gebedsteksten uit de wereldwijde kerk plaatsten je in een grotere ruimte. Je bad mee met een vader in Afrika, met een moeder in Zuid-Amerika en met kinderen in Azië. In mijn tweede gemeente kreeg ik te maken met het voornemen van de gemeente om het inwendige van het kerkgebouw te vernieuwen. Dat betekende nadenken over hoe de ruimte er uit moet zien. Wat doe je in die ruime? Waarom en waar plaats je de kansel, de doopvont en de avondmaalstafel? En terwijl je bezig was kwamen vragen als: waarom geen paaskaars en als het mogelijk is kansel- en tafelkleden in de kleuren van het ‘kerkelijk jaar.’ Een bloemschikking, het kon allemaal niet op. Aandacht voor liturgie hing in de lucht. De noodzaak van en de gevoeligheid voor symbolische communicatie nam toe.<br /><br /><b>Naar de samenkomst</b><br />Niet alle vrij-evangelische mensen zullen zich in het bovenstaande herkennen. Woorden als ‘kerk’ en ‘liturgie’ spreken niet echt aan. Tot hun jargon behoort eerder ‘naar de samenkomst van de gemeente’ gaan. We zitten dan in een geheel andere sfeer: die van de evangelicale theologie. In de traditie van de zangbundel van Johannes de Heer zingt men opwekkingsliederen waarin vooral de individuele geloofsbeleving alle aandacht krijgt. De lofprijzing (praise)krijgt er vorm in het zingen van liederen, die door de mensen vanuit de samenkomst worden opgegeven. De liederen hoeven niet in overeenstemming te zijn met de verdere inhoud van de dienst. Naast het gebruik van orgel of piano wordt de zang begeleid door een combo. De psalmen en de liederen uit de traditie van de kerk worden nauwelijks of niet gezongen. De spontane gebeden dragen een meer individueel karakter (Vader in de hemel, ik dank…). De prediking heeft een vooral lerend karakter vanuit de gedachte dat de bijbel rechtstreekse antwoorden geeft op alle vragen van deze tijd. En dat leidt gemakkelijk tot een toch wel rechtlijnige prediking. De waarheid van het evangelie voor mensen hier en nu wordt niet zo zeer gezocht maar vooral aangezegd.<br /><br /><b>Identiteit</b><br />De wijze waarop de gemeenten op het erf van de Bond het geloof beleven en vieren is veel gevarieerder dan met ‘naar de kerk gaan’ en ‘de samenkomst bezoeken’ gezegd kan worden. Het gemeenschappelijke van alle vieringen zal ongetwijfeld zijn dat we samenkomen rond het Woord (in prediking, doop en avondmaal), dat we volharden in het gebed en de lofzang gaande houden. Desondanks vraag ik of we ons bij alle variaties thuis voelen en of er iets verstandigs te zeggen valt over wat typisch is voor onze gemeenten en wat dat dan betekent voor de liturgie? Begin jaren tachtig werd ik betrokken bij het Seminarium om onder anderen onderwijs te geven in en onderzoek te doen naar de liturgie. Voor mij werd dat het begin van reflectie op de ontwikkelingen van de daaraan voorafgaande decennia. Daarbij was het niet alleen van belang om studenten wegwijs te maken in de diverse liturgische teksten en handelingen, maar ook om te zoeken naar wat kenmerkend zou kunnen zijn voor ons type kerk. Je zoekt vanzelfsprekend naar allerlei bijbelse noties aangaande de eredienst. Daarnaast kijk je naar wat er in de verschillende kerken gebeurd is. Niet onbelangrijk was de vraag hoe we ons als gemeenten zelf zien. En vloeien daar criteria uit die te gebruiken zijn bij de bezinning op liturgie?<br /><br /><b>Criteria</b><br />Met de kerken van de Reformatie is het belijden van het algemeen priesterschap der gelovigen onder ons steeds benadrukt. Het laat zich raden dat er onder ons geen sprake van een soort hiërarchie kan zijn en dat bepaalde handelingen in de liturgie niet zijn voorbehouden aan enkele mensen. Daarmee zeg je tegelijkertijd dat vrouwen geen andere plaats in de gemeente hebben dan mannen. Het duurde wel tot 1968 voor dit ook eens uitgesproken werd. Vrouwen treden toe tot de leiding van de gemeenten en vrouwelijke theologen gaan aan de slag in de gemeenten. In de gemeente moeten we op ons (mannelijk) taalgebruik – in preken, liederen en gebeden - letten. Kenmerkend voor onze gemeente is de overtuiging dat we gemeenten zijn samen met andere kerken en geloofsgemeenschappen. Ik noem dat onze oecumenische openheid. Alleen samen met alle heiligen verstaan we iets van de liefde van God. De waardering voor de oecumenische geloofsbelijdenissen neemt niet weg dat we de nodige aarzelingen hebben om er vaste ‘formulieren’ van te maken waarin het geloof voor altijd en voor iedereen onder woorden is gebracht. In verschillende tijden moet het geloof, in Jezus Christus als Heer, onder woorden worden gebracht. Naast de kerken was er ook het besef van de verbinding met Israel. Dan kun je de liederen van dat volk niet links laten liggen. Ze vormen het paradigma van lofprijzing en aanbidding. Gemeenten die zich vanaf het begin zendingsgemeenten hebben genoemd kunnen zich niet opsluiten in eigen kring. Dat wat er in de wereld en in de samenleving gaande is, gaat ons ter harte. De openheid naar buiten betekent ook dat er steeds weer nieuwe vragen aan ons worden gesteld. Vragen waarop geen voor handen zijnde antwoorden gegeven kunnen worden. In het ‘roepen om ontferming’ aan het begin van de dienst en in de voorbeden in ‘de dienst der gebeden’ moeten we uiting geven aan onze verbondenheid met de wereld waarin we leven. Met onder anderen deze noties zeggen we iets over onze identiteit en vandaar uit kom je tot criteria die kunnen helpen bij het nadenken over de inhoud en de praktijk van de liturgie.<br /><br /><b>Samen vieren?</b><br />Eén ding is zeker, de gemeente van Jezus Christus heeft wat te vieren. Gods liefde voor mens en wereld. Dat gebeurt wereldwijd op een veelkleurige wijze. En ook in ons land is dat het geval. In de Bijlmer gaat het anders dan in de Bijbelbelt. Elke bevolkingsgroep zoekt vormen om de verbondenheid met God en met elkaar gestalte te geven. De culturele verschillen kunnen wel zo zijn dat je je niet in alle vormen van viering op je gemak voelt. Hoe ligt dit op het erf van onze gemeenten? Is de verscheidenheid alleen een kwestie van cultuur of ook van verschil? Op het gevaar af anderen theologisch de maat te nemen, denk ik dat er sprake is van toegenomen verschil. Dat zit niet allereerst in de vorm van de diensten en in het liederen repertoire. Daar valt ook wel het nodige over te zeggen. Niet alles mag. Verscheidenheid wordt tot verschil op het punt van het functioneren van de bijbel. Hoe komen de bijbelverhalen aan de orde? Hoe wordt er gepreekt? Vaststellend en klassiek geworden dogma’s bevestigend of zoekend en omschrijvend? Voelen we ons in het beantwoorden van deze vragen bij elkaar wel op ons gemak? Ik denk het niet en toch behoort het tot onze identiteit om die ruimte te hebben. Vanuit de bijbelwetenschap en de uitlegkunde hebben we geleerd om zorgvuldig naar nuances te kijken. Wij hebben ontdekt dat het in de bijbel en in het geloof nooit gaat om uniforme formuleringen, om allerlei in de kerk gegroeide en vastgestelde waarheden. Waarheid is in de bijbel een Persoon. Jezus Christus is de weg, de waarheid en het leven. Waarheid (dat kan gemakkelijk een leerstellig begrip worden) staat tussen de dynamische begrippen ‘weg’ en ’leven’ in en moet van daaruit verstaan worden. Het gaat er om eerlijk onder woorden te brengen wat je wel of niet namens God kunt zeggen. Het gaat er om de tijd en de mensen te verstaan. Ik voel me ongelukkig in een kerkelijk klimaat waar de werkelijkheid van mensen en de vragen van onze tijd geen invloed hebben op ons verstaan van wat de bijbel zegt over Gods liefde en barmhartigheid. Zorgvuldig omgaan met de bijbel vergt dat we nieuwe woorden en gebruiken niet te snel moeten veroordelen en dat oude posities niet te gemakkelijk worden gehandhaafd. In die sfeer mogen vrij-evangelische mensen samenkomen in de kerk om er het heil te vieren. En elk die wil mag komen en meezingen en bidden en avondmaal vieren, zich thuis voelen en er voor zorgen dat op aarde de dank voor het ons geschonken heil nooit onderbroken wordt, maar steeds opnieuw door mensenmonden gezongen en gesproken wordt.<br /><br />Ties J. Prins]]></description>
<dc:creator>Mooi</dc:creator>
<category>Uit het magazine</category><pubDate>Wed, 17 Aug 2011 14:46:19 +0000</pubDate></item>
<item>
<guid>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,22,22#msg-22</guid>
<title>Zangersdagen (geen antwoorden)</title><link>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,22,22#msg-22</link><description><![CDATA[ <i><center class="bbcode">In de tekst van het bijbelboek Kolossenzen (3:16) staat:<br />‘Zing met heel uw hart psalmen en hymnen voor God en liederen die de geest u vol genade ingeeft’.</center></i><br /><br />Zingen is een prachtige manier om God te loven en te prijzen. In onze zang getuigen we dat Hij naar ons omziet. In Jezus Christus heeft Hij naar ons omgezien en ons bevrijd van onze zonden. Daarom zingen wij zo graag! Soms kan een lied ons uit een moeilijke situatie omhoogtrekken. Als woorden tekortschieten is er zang en melodie die ons meevoert, bemoedigt en samen op doet gaan. In veel Vrije Evangelische Gemeenten zijn koren opgericht die onder leiding van een dirigent meerstemmig zingen. Elk koor repeteert frequent en treedt vaak op in de eigen gemeente en bij andere vieringen. Een maal per jaar komen de koren bijeen voor de ‘zangersdag’. In 2010 gebeurde dat voor de 58ste keer. Voor deze zangersdag neemt telkens een ander koor de organisatie op zich. De locatie wisselt dan ook jaarlijks. Acht koren bezochten in mei 2010 Veenendaal. Tijdens zo’n dag zingt elk koor twee liederen. Een muzikaal deskundige geeft een schriftelijke beoordeling van elk koor waar de dirigent zijn/ haar voordeel mee kan doen. Deze koorpresentatie en professionele beoordeling heeft geen competitie oogmerk. Het genieten van samen zingen en openheid voor goede raad staan centraal. Na de lunch worden bassen, tenoren, alten en sopranen van alle koren in vier groepen samengebracht. Vervolgens worden met deze vier grote groepen zes liederen gezongen die de koren allemaal eerder hebben ingestudeerd. Deze massale samenzang klinkt altijd geweldig mooi! Het verheft je voor even uit het gewone dagelijkse doen en laten. Een overweldigende ervaring. Na deze samenzang vullen gastzangers of gastmuzikanten de rest van de middag. De zangersdag wordt door de koorleden over het algemeen met een diner ergens op de route onderweg naar huis afgesloten. ‘Zingen is twee keer bidden’, luidt een gezegde. Zo wordt dat ook door de meeste koorleden ervaren. Daarmee is de zangersdag een hoogtepunt in het kerkelijk jaar voor de koren van de Vrije Evangelische Gemeenten.<br /><br />Lenie Baaijens]]></description>
<dc:creator>Mooi</dc:creator>
<category>Uit het magazine</category><pubDate>Wed, 17 Aug 2011 14:41:23 +0000</pubDate></item>
<item>
<guid>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,21,21#msg-21</guid>
<title>Als dat jasje zou kunnen spreken (geen antwoorden)</title><link>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,21,21#msg-21</link><description><![CDATA[ <b><u>Van Samosir Zending tot SZD</u></b><br /><b>Samosir wordt wereldwijd</b><br />De Tweede Wereldoorlog en de jaren daarna zijn van beslissende invloed geweest op de zending van de Bond. Was die daarvoor vrijwel gelijk aan Samosir Zending – ‘onze’ zending op ‘ons’ eiland – in de eerste jaren na 1945 bleek dat eerder uitgezondenen niet meer terug konden naar Indonesië. Anderen werden gedwongen te vertrekken. Dan is er een probleem. Want waar moet je heen als je in dienst van de zending wilt werken en niet naar Samosir kunt? Zo zwermden mensen uit. Naar Afrika, Azië, Suriname, overal waar mogelijkheden waren. Niet zozeer op grond van een bewust genomen besluit: de zending van de Bond moet wereldwijd worden, maar omdat het niet anders kon… Misschien heeft de oecumene waar ook de Bond niet omheen kon, bevorderend gewerkt. En misschien heeft het feit dat we nu mensen op heel veel plekken in de wereld aan het werk hadden, wel meegeholpen om binnen de Bond de ogen te openen voor een wereldwijde kerk…<br /><br /><b>De wereld verandert</b><br />In de jaren ’60 en ’70 verandert de wereld ingrijpend. In Europa roepen studenten om inspraak, wereldwijd strijden volken om onafhankelijkheid. Die bewegingen gaan aan ons land en onze gemeenten niet voorbij. Er komen vrouwen in het ambt, gemeenteleden praten mee over beleid en vanuit de SZE (Stichting voor Zending en Evangelisatie) wordt een onderzoek gestart naar het zendingsgehalte van de gemeenten. Missionair of demissionair? We zeggen zo graag dat Vrije Evangelische Gemeenten zendingsgemeenten zijn maar is dat ook werkelijk zo? Is het genoeg om een (grote) bijdrage te geven in geld of is er meer nodig? Vanuit de gemeenten wordt door middel van een breed onderzoek van Gerard Siebert meegedacht over toekomstig beleid van de SZE. Maar begin jaren tachtig, als de resultaten in beleid worden voorgesteld loopt het mis. Er worden beslissingen genomen die dramatisch uitwerken en mensen beschadigen. Terugkijkend kun je zeggen dat de onderzoeksresultaten een goede koers voor de zending uitzetten. Een omslag was nodig. Een breed gedragen beleid dat op meer stoelt dan op enkele verhalen van zendelingen die geld moeten werven. Het duurt tot in de jaren negentig voordat alsnog lijnen uit het afgewezen beleid door de SZE en de SZD uitgezet worden. Brede betrokkenheid van gemeenten bij de zending, aandacht voor zending in Nederland en zending die partnerkerken serieus neemt. Wederkerigheid in het omgaan met elkaar. En daarbij ook het besef dat woord en daad onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn…<br /><br /><b>SZE wordt SZD</b><br />Als je het met elkaar eens bent dat woord en daad niet los verkrijgbaar zijn, moet je daar ook de conclusie uit trekken. In 1993 besluiten SZE en KDO (Kommissie Diakonaal Overleg) dan ook samen de SZD te gaan vormen, de Stichting voor Zending en Diakonaat. Ook hier is de invloed van wat in de samenleving en in andere kerken gebeurt merkbaar. Het is onmogelijk geworden om wereldwijd zending en diakonaat los te zien van wat er in onze directe omgeving gebeurt. Kerken en christenen uit verre landen wijzen ons op onze verantwoordelijkheid voor de Nederlandse maatschappij. En net zoals je ver weg de boodschap van het Evangelie niet los kunt koppelen van daden van barmhartigheid en gerechtigheid, zo is dat ook dichtbij onmogelijk. Daden zonder woorden spreken niet en woorden zonder daden hebben geen zeggingskracht!<br /><br /><b>En dan de laatste jaren</b><br />In ‘zendingsland’ worden de tegenstellingen kleiner. Evangelischen en oecumenischen vinden elkaar en ontdekken dat het bij beiden gaat om de ene Boodschap van Heil voor deze wereld. Dat ontdekken we langzaam maar zeker ook in de Bond. Dat we daarbij verschillende accenten leggen, is duidelijk. Dat is niet erg. Als we maar met elkaar blijven staan voor die ene zaak: Getuigen van Christus in woorden en daden, ver weg en dichtbij!<br /><br />Janneke Doornebal]]></description>
<dc:creator>Mooi</dc:creator>
<category>Uit het magazine</category><pubDate>Wed, 17 Aug 2011 14:39:08 +0000</pubDate></item>
<item>
<guid>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,20,20#msg-20</guid>
<title>Een grensganger (geen antwoorden)</title><link>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,20,20#msg-20</link><description><![CDATA[ <b><i>Ieder groep heeft zijn grensgangers: mensen die de grenzen opzoeken, de grenzen van een groep overschrijden of meelevend aan de rand van een groep staan. De geschiedenis van de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten in Nederland kent heel wat van zulke grensgangers.</i></b><br /><br /><b>Drie maal Johannes</b><br />Voor de negentiende eeuw denk ik aan Johannes Hermanus Gunning Jr. (1829-1905), die als Hervormd predikant ooit beroepen werd als dominee van de Vrije Evangelische Gemeente in Amsterdam, dit beroep op welsprekende wijze afwees, maar voor de vrije evangelische kringen altijd van belang bleef, bijvoorbeeld met zijn boek over De prediking van de Toekomst des Heren (1888). Voor de eerste helft van de twintigste eeuw is zo’n grensganger de, eveneens Hervormde, Johannes de Heer (1866- 1961), voorman van de Maranathabeweging en het tijdschrift Het Zoeklicht. In zijn grote evangelisatiecampagnes wekte hij mensen tot geloof door de aanstaande wederkomst van Christus en Gods werk in het volk Israël te benadrukken. Hij had nauw contact met vrije evangelische gemeenten en nog steeds is de bundel van Johannes de Heer prominent aanwezig in veel Vrije Evangelische Gemeenten. In de tweede helft van de twintigste eeuw is er een derde Hervormde Johannes die het trio compleet maakt. Ik bedoel Johannes Christiaan Hoekendijk (1912-1975), die onder de roepnaam Hans in Indonesië opgroeide als zoon van de evangelist Cees (C.J.) Hoekendijk. Deze keerde in 1925 uit Java terug naar Nederland en werd predikant van de Vrije Evangelische Gemeente in Rotterdam en later in de te van Bussum. Hoekendijk senior was een bekend spreker op Zoeklicht-Maranathaconferenties van Johannnes de Heer en een productief schrijver van stichtelijke en evangeliserende werken.<br /><br /><b>God niet in je broekzak</b><br />De jonge Hans krijgt het allemaal van huis uit mee en het is niet verwonderlijk dat hij gaat studeren aan de zendingsschool in Oegstgeest en van daaruit in Utrecht theologie gaat studeren. Die studie zal hij als Hervormd lidmaat doen. Hij wil als zendeling naar Indonesië en hij heeft zelfs promotieplannen als de Tweede Wereldoorlog roet in het eten gooit. Naar Indonesië gaat hij uiteindelijk na de oorlog en hij promoveert in 1948. De dissertatie die hij dan verdedigt vormt de kern van wat hij theologisch in de jaren daarna naar voren zal brengen, als hij secretaris is van de zendingsafdeling van de Wereldraad van kerken en later hoogleraar wordt in Utrecht en ten slotte in New York. Hoekendijk moet niets hebben van enige exclusieve band tussen een volk en God. Een volk kan niet claimen God in zijn broekzak te hebben en er is zeker geen relatie tussen een volksaard en een speciale band met God. Die huiver heeft de oorlog hem wel meegegeven. Maar dan gaat Hoekendijk verder: ook de kerk moet niet claimen een volk van God te zijn en daarmee speciale voorrechten te hebben. De kerk is wel ‘lichaam van Christus’, zoals Paulus dat in het Nieuwe Testament al uitdrukte, maar dat mag nooit slaan op de pretenties van een enkel kerkgenootschap en slechts op de Kerk als geheel. Als de kerk al ‘volk van God’ mag heten, dan alleen in het eschaton, dat wil zeggen in het licht van Gods uiteindelijke plan met de wereld, waarvan de wederkomst van Christus de definitieve openbaring zal vormen.<br /><br /><b>Kerk een functie van het apostolaat</b><br />Koninkrijk en wereld – dat staat voorop voor Hoekendijk. In de persoon en het werk van Jezus Christus geeft God heil aan de wereld. Sjaloom, de volle vrede, is de Bijbelse term die Hoekendijk gebruikt. De kerk moet verkondigen dat de sjaloom in Christus is gegeven, ze moet een gemeenschap vormen waarin de sjaloom geleefd wordt en de sjaloom moet in dienstbetoon beoefend worden. Apostolaat, de opdracht tot zending die de kerk zich stelt, bestaat uit een samenspel van die drie. Hoekendijk kan hevig fulmineren tegen zending die kerkplanting of gemeentestichting als doel stelt. Planten van de sjaloom moet het enige doel zijn: ‘Ik geloof in een kerk, die een functie van het apostolaat is, dat wil zeggen een instrument van Gods verlossend handelen in deze wereld’ (De kerk binnenste buiten, 24). Niet meer en niet minder valt er over de kerk te zeggen. Niet minder dan dat: het is nogal een opdracht om Gods sjaloom uit te drukken in verkondiging, gemeenschap en dienstbetoon. Maar ook niet meer dan dat: de kerk is slechts een functie, een instrument in het apostolaat, geen doel op zich.<br /><br /><b>Missio Dei</b><br />Met deze visie op kerk en zending wordt Hoekendijk een van de pijlers van de Nederlandse apostolaatstheologie, die vlak na de Tweede Wereldoorlog in protestants Nederland opgeld doet: een theologie die de boodschap van de kerk voor de wereld en daarmee aandacht voor wat er in de wereld omgaat vooropstelt. Niet voor niets was Arnold van Ruler, de grote voorman van deze theologie, de promotor van Hoekendijks dissertatie. Maar Van Ruler blijft altijd trouw aan de Hervormde gedachte van een volkskerk, een kerk die een speciale opdracht heeft voor de kerstening van Nederland. Hoekendijk kan niets met zo’n manier van denken: het gaat er om dat Gód sjaloom te brengen heeft aan de wereld in Christus. De kerk neemt daarin een ondergeschikte plaats in. ‘Men zal over de kerk alleen en passant en volstrekt zonder nadruk spreken, wanneer men Gods handelen met de wereld wil prijzen’ (De kerk binnenste buiten, 48). God heeft een zending met de wereld en de kerk is slechts een functie van Gods handelen. ‘Missio Dei’, zending van God vóór elke menselijke bemoeienis en agenda, zal dat gaan heten in de zendingsleer.<br /><br /><b>Hoekendijk en de Bond</b><br />Hoekendijk zal zijn visie op zending vooral in de Hervormde kerk en theologie ontvouwen. Maar in zijn theologische accenten zie je duidelijk zijn vrije evangelische wortels terug. Een kerk die zich bescheiden als een instrument opstelt – het past bij de vrije evangelische gemeenten, die zich liever tooien met het woord ‘gemeente’ dan met het woord ‘kerk’. Een kerk die in alle facetten van haar verschijnen (verkondiging, gemeenschap en dienstbetoon) zendingsgericht is – het is precies wat de oprichters van de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten ooit bedoelden toen ze in hun Beginselen schreven dat hun bondsgemeenten als doel moesten hebben zendingsgemeenten te zijn. De consequente christologie – in de hele theologie denken vanuit Christus: het is herkenbaar vrij evangelisch. En natuurlijk komt er bij Hoekendijk veel terug van de Maranathakringen, die lééfden voor het getuigenis en zich verder om kerkelijke structuren en instellingen niet bekommerden. De manier waarop Hoekendijk het thema van het eschaton en de wederkomst uitwerkt, verschilt enorm van de Maranathabeweging. Maar de nestgeur van thuis blijft Hoekendijk zijn hele leven bij. Dat blijkt wel aan het einde van zijn leven als hij in New York een voorkeur heeft voor een kleine huisgemeente en met zijn Christusgerichte theologie weinig aankan met de in de jaren zeventig populair wordende ervaringstheologieën (zwarte theologie, feministische theologie).<br /><br /><b>Hoekendijk in de Bond</b><br />Het is niet voor niets dat docenten apostolaat van het Seminarium van de Bond vaak iets met Hoekendijk hebben gehad. Gerard Siebert liet zich door Hoekendijk inspireren in zijn pleidooi voor een vernieuwde missionaire identiteit van de vrije evangelische gemeenten. En als Hans Hommes schrijft: ‘ “Vrij evangelisch” kan worden ingevuld als: een goede boodschap (het evangelie) realiserend voor alle mensen (vrij toegankelijk). Dat eist een op de toekomst gerichte houding…’, dan is dat echte Hoekendijktaal (Ten antwoord op een stem, 123). Hoekendijks theologie vertoont een nieuwsgierigheid om de wereld in al haar vezels te leren kennen. Als God de wereld op het oog heeft met zijn sjaloom, hoef je geen angst voor de wereld te kennen. Die onbevreesdheid is voor het vrij evangelische wel eens een maatje te groot gebleken. Maar een Bond die een gedeelte uit het bijbelboek Openbaring in zijn logo heeft staan, moet toch iets hebben met Johannessen die vanaf de zijlijn kritiek en bemoediging toeroepen, zoals de ziener Johannes op Patmos ooit deed aan de gemeenten in Klein-Azië?<br /><br />Theo Hettema]]></description>
<dc:creator>Mooi</dc:creator>
<category>Uit het magazine</category><pubDate>Wed, 17 Aug 2011 14:34:58 +0000</pubDate></item>
<item>
<guid>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,19,19#msg-19</guid>
<title>Een tuin bij het Bonds-huis (geen antwoorden)</title><link>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,19,19#msg-19</link><description><![CDATA[ Aan de jubileumuitgave ter gelegenheid van het veertig jarig bestaan van VEJO-Nederland (1946-1986 Veertig Enthousiaste Jaren Onderweg) leverden verschillende mensen een bijdrage. In één van deze bijdragen werd de VEJO (het landelijk jeugdwerk van de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten in Nederland) vergeleken met ‘de tuin bij het huis’. Ik citeer: ‘Als de Bond het (organisatorische) huis is, waarin de verbondenheid van de plaatselijke gemeenten zich afspeelt, dan is de VEJO de tuin bij het huis’. Ik moet zeggen, dat ik dat nog altijd een heel mooi beeld vind. Zeker omdat het over jonge mensen gaat. Kinderen, jonge mensen, tref je meestal niet thuis keurig op de bank aan. Veel liever zijn ze buiten in de tuin. Dat begint al vroeg: in de zandbak, op de schommel, kamperend in een zelfgemaakte tent. Dat zet zich voort bij het sleutelen aan brommers, het theedrinken met vriendinnen, tot lekker ‘chillen’. Een tuin geeft vrijheid en biedt ruimte. Je kunt je daar onttrekken aan het directe zicht van de mensen in huis. Maar de tuin hoort wel bij dat huis! Het landelijk jeugdwerk is als de tuin van het huis van de Bond! De VEJO werd in 1946 opgericht. De Bond was op dat moment precies pensioengerechtigd = 65 jaar oud: 1881- 1946. Dit jaar bereikt het landelijk jeugdwerk zelf de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar: 1946-2011. Of is de VEJO in 2009 al met de VUT gegaan, toen ze officieel ophield te bestaan en samen met de Stichting Jeugd en Jongerenpastoraat (JJP) opging in een nieuwe deelorganisatie ‘stichting Jeugd en Jongerenwerk (JJW)? Dat het destijds zolang duurde voordat er in de Bond een landelijke organisatie kwam, zegt veel. Plaatselijk wilden kerkenraden hun jongeren niet zomaar ‘los laten’, met het risico dat ze beïnvloed zouden worden door andersdenkenden. Zo hier en daar waren er contacten met anderen zoals met het NJV, de voorloper van het CJV (Christelijk Jongeren Verbond). Dergelijke contacten beschouwde men als waardevol. Een landelijk verband leek daarom overbodig en te oncontroleerbaar. Pogingen van jongeren zelf om een landelijke organisatie op te richten, haalden het dan ook niet. Tot de Tweede Wereldoorlog kwam en alles veranderde. In de oorlog ontdekte men dat er een andere vijand was dan de verschillen tussen landen, culturen, kerken en geloofsvisies. Na de oorlog gingen voorzichtig de deuren open naar de wereld en naar andersdenkenden. Niet alleen werden in die jaren de Verenigde Naties opgericht en kwam er een Wereldraad van kerken…… er kwam ook een VEJO. De na oorlogse periode wordt gekenmerkt door een golf van creativiteit, optimisme en enthousiasme. Gelukkig ook binnen de kerken. Het verschijnsel ‘jeugddienst’ deed bij voorbeeld haar intrede en daarmee werd duidelijk dat de inbreng van jonge mensen en hun (geloofs)beleving van groot belang waren. Jonge mensen werden niet langer bekeken als ‘aankomend volwassenen’ die keurig in het vertrouwde spoor van hun ouders liepen. Er diende zich een generatie aan die haar eigen weg zocht. De landelijke thema’s die VEJO-Nederland de Bond indroeg (o.a. apartheid, lepra, beelden van Jezus) en de diverse acties voor de zending en diaconale doelen, maakten deze zoektocht zichtbaar. Deze thema’s beïnvloedden de agenda van de Bond, of men dat nu prettig vond of niet. Daarnaast werd steeds opnieuw gekozen voor nieuwe vormen en gebruiken. De bereidheid om de eigen organisatievorm telkens aan te passen aan de tijd, laat een bijzonder en eigenzinnig spoor zien. VEJO-Nederland was het kind dat droomde in de tuin van het ouderlijk huis van de Bond. Soms trekken opgroeiende jongeren zich bij het verwezenlijken van hun droom maar bar weinig aan van wat er zich in dat huis afspeelt. Soms verzetten ze zich daar tegen. In dat verzet stellen zij de bewoners kritische vragen. De betrokken en kritische VEJO heeft een belangrijke rol vervuld zowel binnen de plaatselijke gemeenten als voor de landelijke Bond. Onbevreesd en onbevangen, zoals jongeren dat kunnen, werden de Bondshuis- bewoners uitgedaagd om de ramen en deuren te openen en naar buiten te komen. En elke keer ontdekten ’huis’ en ‘tuin’, dat ze bij elkaar horen en elkaar versterken. De tuin heeft het Bonds-huis kleur en fleur gegeven!<br /><br />Sjaak Weststrate]]></description>
<dc:creator>Mooi</dc:creator>
<category>Uit het magazine</category><pubDate>Wed, 17 Aug 2011 14:28:52 +0000</pubDate></item>
<item>
<guid>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,18,18#msg-18</guid>
<title>De bond op de schop (geen antwoorden)</title><link>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,18,18#msg-18</link><description><![CDATA[ <b><i>We schrijven de jaren ’60. De Bond vergadert ieder jaar twee dagen op De Ernst Sillem Hoeve, het conferentiecentrum van het CJV in Lage Vuursche.</i></b><br /><br />Centraal staat op die vergadering de informatie uit gemeenten. Daarnaast passeren de Theologische School, Ons Orgaan, Stichting 1946, de Zending onder Israël en de Binnenlandse Zending de revue. In de besturen van die ‘commissies’ zitten vaak dezelfde mensen. Dat houdt hen bij elkaar. Niet een gezamenlijk beleid van de Bond, want dat is er niet. Voorstellen voor de jaarvergadering kunnen alleen door gemeenten worden ingediend. Het comité volstaat met een pre advies. Tijdens de bondsvergadering houden de Samosir Zending en het Pensioenfonds hun eigen jaarvergadering. Het vrouwenwerk en de VEJO hebben hun eigen vergadercircuit. Zij komen even op de vergadering om desgewenst hun jaarverslag dat ter kennisneming beschikbaar is toe te lichten. De gemeente Leeuwarden vindt die gang van zaken maar niets: de Bond is net een kruiwagen met kikkers die alle kanten uitspringen. Iedereen roept maar wat en niemand neemt echte verantwoordelijkheid voor het geheel. Leeuwarden stelt in 1971 een herstructurering voor.<br /><br /><i>Het is niet toevallig</i> dat de gemeente Leeuwarden Geert Wijma en Johan Oost daarvoor naar voren schuiven. Zij zitten in het bestuur van het Pensioenfonds, een orgaan dat van nature het accent legt op discipline en beleid. Wijma en Oost vinden dat die discipline niet alleen geldt voor materiële, maar ook voor geestelijke zaken. Ook daarin kunnen we niet zonder elkaar en ook daarin moet je op elkaar kunnen rekenen, ondanks het feit dat je niet dezelfde visie deelt. Dat wordt de leidende gedachte achter de nieuwe bondsstructuur. We verbinden ons aan elkaar, omdat we in Christus gebonden zijn. Het theologisch gegeven dat de gemeente uiting is van het lichaam van Christus wordt ook op de Bond toegepast. Dat mag in die tijd amper gezegd worden, de gemeenten zijn immers autonoom. Er is een bijna vanzelfsprekend wantrouwen jegens de bond uit vrees voor dwang. Bovendien vindt men dat de Bond geen geld mag kosten. Dat moet anders, zegt de structuurgroep. Onder hun leiding wordt via regionale werkgroepen een nieuwe structuur opgezet.<br /><br /><i>We zitten dan</i> in de eerste helft van de jaren zeventig. Het comité gaat als dagelijks bestuur van de Bond fungeren. De verschillende commissies worden deelorganisaties, en vertegenwoordigers van de deelorganisaties nemen zitting in het comité. We moeten niet bang zijn voor professionalisering, integendeel, zonder professionalisering redden we het niet. Daarom komt er een algemeen secretaris die het comité ondersteunt dat het geheel coördineert en lijnen uitzet, waarlangs gewerkt kan worden (1975). En er komt een bondsbureau (1981). Niet alle gemeenten zijn er van gediend. Sommige gemeenten vinden de druk van een landelijke geloofsgemeenschap, die uitspreekt dat we ‘elkaar niet kunnen missen’ omdat we zonder elkaar ‘niet tot de volmaaktheid kunnen komen’ (beginselen 1885), een te zware druk. Het comité krijgt in hun ogen te veel macht. Daarnaast vindt men dat er teveel ruimte is voor een liberale en horizontalistische theologie. Een aantal gemeenten verlaat de Bond.<br /><i>De ideeën</i> worden in de loop van de jaren in de praktijk bijgesteld. Het comité wordt allengs kleiner. De deelorganisaties krijgen wat minder invloed, de inspraak en zeggenschap van de gemeenten wordt op een natuurlijke manier vergroot. En in 2006 wordt er opnieuw gereorganiseerd. Het algemeen secretariaat verdwijnt, het comité (met even later professionele ondersteuning door zijn voorzitter) en het bondsbureau zorgen dat de professionaliteit gewaarborgd blijft. De nieuwe structuur uit de jaren ’70 heeft zijn nut bewezen, en is aangepast aan de huidige tijd. Inmiddels hebben Wijma en Oost dan al jaren geleden de erepenning van de bond ontvangen. Voor bewezen grote diensten.<br /><br />Bert Louwerse]]></description>
<dc:creator>Mooi</dc:creator>
<category>Uit het magazine</category><pubDate>Wed, 17 Aug 2011 14:26:17 +0000</pubDate></item>
<item>
<guid>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,17,17#msg-17</guid>
<title>Een canon in het mos (geen antwoorden)</title><link>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,17,17#msg-17</link><description><![CDATA[ Er lopen in de geschiedenis nooit rechte lijnen van het ene naar het andere punt. Zo ook in de Bond niet. In 1881 richtten een handjevol gemeenten hem op. De organisatie is nog erg los, maar er is het streven om gezamenlijk werk te verrichten. Predikantsopleiding en gezamenlijke zending horen tot de idealen. Even wordt er door Marinus Mooij gespeeld met de gedachte om de congregationalistische geloofsbelijdenis (de ‘Commission’ Creed uit 1883) als richtsnoer te adopteren, maar in de Bond vreest men voor het elkaar de maat nemen in geloofszaken. Toch komt er in 1912 een belijdenisgeschrift met o.a. een gedetailleerde uitwerking van de verwachting van Christus’ komst. Marinus Mooij is tegen die uitwerking, maar zijn stem wordt dan niet meer gehoord. Bijbelteksten worden in schema gezet en bieden houvast in een tijd van grote veranderingen en oorlogen. Dat blijkt ook in 1939 als de Bond een boodschap de wereld inzendt. Alles is gericht op de toekomstverwachting. Over de actuele nood van Joden en anderen wordt niet gesproken en er klinkt geen oproep om samen te werken met andere kerken gezien de maatschappelijke dreigingen.<br /><br />Na de oorlog begint de Bond te veranderen. Vrouwen en jongeren melden zich. Er treedt een nieuwe generatie aan, die over grenzen heeft leren kijken. Oecumene wordt ook in de Bond een belangrijk thema. Het gaat echter moeizaam en met vallen en opstaan. In 1948 is men erbij als de Wereldraad van Kerken in het concertgebouw te Amsterdam wordt opgericht, maar in 1949 verlaat men haar alweer. Toch is er in die tijd een beweging ingezet, die niet meer tot stilstand komt. De contacten met de Hervormde Kerk lopen via een samenwerkingsregeling in 1978 uit op een associatie met de Protestantse Kerk in Nederland in 2008. Ook het Bondswerk zal steeds meer gezamenlijk met anderen worden gedaan.<br /><br />Een markeringspunt is het rapport over de toelating van vrouwen tot de ambten in de gemeente in 1968. Opeens is er sprake van een grondige theologische verantwoording, die zich niet beperkt tot het in schema zetten van Bijbelteksten. In de jaren ’60 is er duidelijk een andere sfeer aan het ontstaan. De luiken gaan open, de Bond vernieuwt zich. Het besef samen Bond te zijn in een veranderend en modern Nederland breekt door. Er komt een nieuwe structuur voor de Bond om de verbondenheid en de gezamenlijke opdracht beter gestalte te kunnen geven (1975). De oude Samosirzending ondergaat een ingrijpende vernieuwing door het onderzoek van Gerard Siebert en de indringende vraag wordt gesteld of de Bond, die zich graag beroept op zijn missionaire karakter, demissionair is of ... missionair (1979).<br /><br />We bevinden ons dan in het tijdperk van het honderdjarige jubileum van de Bond (1981). Er waait een verfrissende wind. De Bond wordt gevormd door vele actieve en betrokken mensen. Maar er zijn ook andere tekenen. Gemeenten treden uit. De omslag naar een open manier van omgaan met de Bijbel in relatie tot de positie van vrouwen in de gemeenten, andere kerken en geloofsopvattingen komt onder druk te staan in de jaren ’80. In 1983 verwerpt de Bond de begroting van de SZE met desastreuze gevolgen voor het werk van Gerard Siebert. In 1985 haakt de Bond af bij de IKON en in 1986 wordt met moeite een waarnemerschap bij de Raad van Kerken aanvaard. Stromingen die botsen? In elk geval blijven er bewegingen gaande. Richting andere kerken, internationale verbanden en Israël (1996). Lidmaatschap van de Raad van Kerken wordt in 2008 een feit en er wordt rond de doop (2009) en het predikantschap (2010) theologisch gewaakt voor schematisering en het innemen van standpunten die tot uitsluiting leiden. Er wordt gezocht naar een manier van omgaan met de Schrift en de eigen beginselen in openheid voor de Geest en met respect voor de positie van de ander.<br /><br />Zo schrijven we na 130 jaar een canon in het mos: in welke velden hebben wij gezaaid, als we onze oogst overzien?]]></description>
<dc:creator>Mooi</dc:creator>
<category>Uit het magazine</category><pubDate>Wed, 17 Aug 2011 07:55:03 +0000</pubDate></item>
<item>
<guid>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,16,16#msg-16</guid>
<title>Bij een dominee op de achterbank (geen antwoorden)</title><link>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,16,16#msg-16</link><description><![CDATA[ Koos van Zomeren verzorgde enige tijd een kroniek in NRC Handelsblad. De bundeling daarvan verscheen onder de titel ‘1946. Verkenning van een geboortejaar’ in 1999 bij De Arbeiderspers. In een van de kronieken beschrijft hij hoe zijn ouders in het begin van de jaren ’50 meeleven met de Vrije Evangelische Gemeente Velp, waar ds. Joh. M.D. Beeuwkes op dat moment predikant is. Met instemming van de auteur laten we de tekst hier in zijn geheel volgen.<br />Als je je verdiept in je geboortejaar, ontkom je niet aan de indruk dat de wereld rond die tijd speciaal voor jou in gereedheid werd gebracht. Sommige dingen op het allerlaatste moment. Terwijl het doek al opgaat, wordt gauw nog even een stoel bijgeschoven op het toneel.<br /><br /><b>Dominee Beeuwkes</b> - daar zou ik uit mijzelf niet meteen aan gedacht hebben, maar toen ik zijn naam eenmaal zag staan, zwaaiden de deuren van de herinnering open. Je moet je voorstellen: ik zit zonder duidelijke bedoelingen een jaargang Velpsche Couranten door te bladeren. Mijn oog glijdt herhaaldelijk over de predikbeurten voor het komende weekeinde. Bij de Vrije Evangelische Gemeente wordt telkens ds Timmerman vermeld, en dat zegt me niks. En precies op 31 december 1946 voor het eerst: ds Beeuwkes. Kleine man, een beetje buikig en blozend. Na zijn predikbeurten liep hij in zijn toga dwars door de pakhuisachtige ruimte, waar onze erediensten werden gehouden, naar de uitgang om iedereen persoonlijk de hand te drukken en Gods zegen toe te wensen. Gods zegen, dat was nog eens wat anders dan ‘nou, aju dan maar’. Het had weinig gescheeld of wij - mijn moeder, mijn zusje en ik - waren samen met deze man aan ons eind gekomen. Hij had een autootje. Op de achterbank van dat autootje moest je je opvouwen. Je zat met je kin op je knieën, net als wanneer je op zaterdag in de teil werd gedaan. Met dat autootje waren we mijn zusje gaan ophalen uit Herwijnen, waar ze bij familie hersteld was van een aandoening. In Elst dreigden we te worden verpletterd door een achteruitrijdende zandauto. Dus twee dingen: er waren nog maar zo weinig auto’s dat je op iedere kennis een beroep kon doen als je er een nodig had, én als je uit de Betuwe naar Arnhem moest, ging je niet langs maar dóór een dorp als Elst. Het moet in de eerste helft van de jaren ‘50 zijn geweest. Het zou me niet verbazen als daar nog oorlogsschade werd hersteld. Ik geloof dat het schuin tegenover de Nederlands Hervormde Kerk was.<br /><br /><b>Goed , wij waren vrij evangelisch</b>, en als je dat zo zegt klinkt het alsof wij tamelijk evangelisch waren, maar het tegendeel was het geval – ontzettend evangelisch waren wij. Het was een blijmoedig geloof, dat uitbundig werd beleden, en vooral: bezongen (uit de liedbundel van Johan de Heer). In het begin zaten we daarbij op uiterst eenvoudige stoelen, keukenstoelen. Het zou flauw zijn om te zeggen dat ik mij deze stoelen herinner - er staat er gewoon nog steeds een tegenover me op mijn kamer. Toen de gemeente zich nieuw meubilair kon permitteren, dat zal omstreeks 1955 zijn geweest, werd het oude onder haar lidmaten verkocht. Ik heb zeker driekwart van mijn werk zittend op die stoel geschreven. Op het ogenblik hangt er een groene sweater met een ijsvogeltje overheen. Voor aanvang van de dienst moesten er achter in het zaaltje altijd stoelen aan de kant om ruimte te maken voor een invalidenwagentje. Ik bedoel zo’n gevaarte met een vooruitgeschoven voorwiel, dat werd aangedreven door het op en neer bewegen van twee lange stangen. Het wagentje van... Riekie Jansen, heb ik dat goed? Zij was in verschillende opzichten een arme vrouw en voor zo iemand, zo begon ik het tenminste op den duur te zien, hadden wij precies het geschikte geloof. Het was niet gering wat er bij ons aan eeuwig heil in het vooruitzicht werd gesteld.<br /><br /><b>Ik herinner me</b> broeder Delwig in de ouderlingenbank. Als dominee Beeuwkes elders verplichtingen had, mocht hij de kansel op. Zijn stem was strenger, zijn manier van preken vuriger. Als kind vermoedde (of fantaseerde) je dan een zekere rivaliteit tussen deze mannen, het leerstellige gezag van de één uitgedaagd door de evangelische passie van de ander. Ik herinner me broeder Bakkenist. Ja, het was toch broeder Bakkenist die achter het gordijn boven de preekstoel het orgel bespeelde? (De verbazing dat ook de bijrijder op een motor met zijspan ‘bakkenist’ wordt genoemd, zal me mijn hele leven vergezellen). Deze geestverwant was verbonden aan de Utrecht, de verzekeringsmaatschappij met een monolithisch kantoorpand aan het Willemsplein in Arnhem. Ik heb geen idee welke functie hij er had. Maar al is hij daar portier geweest, door hem kwamen al die Utrecht-polissen bij ons binnen. Noem het netwerken. Het was in ieder geval een eenvoudige en overzichtelijke manier van zakendoen. Zo herinner ik mij ook een broeder die chauffeur was bij Van Gend en Loos - de bijna mythische reputatie die deze firma daaraan in onze kring te danken had. En ik herinner mij de verholen opwinding waarmee je je hand in de fluwelen muil van het collectezakje stak - omdat de gedachte wat je daar wel niet uit zou kunnen halen, toch nooit helemaal te vermijden was.<br /><br /><b>Drie collectes per dienst.</b> Mijn moeder gaf ons altijd drie kwartjes mee. Ik zat in Arnhem op de Talmaschool. In de zesde klas trok ik op met een jongen uit een gezin dat gereformeerd was. Zijn vader zat bij de politie; ze zullen het niet breed hebben gehad. Maar dat was niet wat ik dacht, toen ik ontdekte dat hij maar een stuiver, of zelfs twee centen, meekreeg voor de collecte in hun kerk. Toen dacht ik alleen maar dat ons geloof oneindig superieur was aan het hunne. Ik moet een jaar of twaalf zijn geweest - oud genoeg om in m’n eentje naar Velp te fietsen en naar de kerk te gaan - toen ik een keer te laat kwam. Ik stond nog in het witgepleisterde gangetje bij de consistoriekamer, toen het inleidende orgelspel stokte en de gemeente haar eerste gezang inzette. Ik durfde niet. Ik durfde niet ten aanschouwen van al die zingende mensen naar binnen te gaan en een plaatsje te zoeken. Dus ik weer naar buiten en even later liep ik op de Noorder Parallelweg langs het roestige gaas van de spoorbaan, en ik vroeg me af hoe ik het volgende uur in godsnaam moest doorkomen, en opeens werd ik me bewust van de kwartjes in mijn broekzak. En toen raakte ik pas goed in gewetensnood. Normaal was ik heel goed in staat een paar kwartjes te beschouwen in termen van dropveters of salmiak of Mekka’s, maar dit waren geen normale kwartjes, deze kwartjes waren gewijd, offergeld. Ik heb ze op het spoor gegooid. Nu gebeurt het nog weleens, misschien eens per jaar, dat ik de trein van Arnhem naar Zutphen neem. Dan ga ik zo zitten dat ik, als we door Velp komen, even naar dat kerkje van ons kan kijken. Ja, daar was het. En dan herinner ik me die drie kwartjes. Dan fantaseer ik dat ze er nog liggen, of liever: dat ze nu door iemand, waarschijnlijk een spoorwegman, tussen het steenslag worden gevonden, en dat die wéét hoe ze daar terechtgekomen zijn, en dat die zijn hoofd begint te schudden en denkt: nou ja, hij geloofde in God.<br /><br />Ds. Joh.M.D. Beeuwkes en ouderling J.W. Delwig.]]></description>
<dc:creator>Mooi</dc:creator>
<category>Uit het magazine</category><pubDate>Wed, 17 Aug 2011 07:52:44 +0000</pubDate></item>
<item>
<guid>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,15,15#msg-15</guid>
<title>Een gemeenschappelijke roeping (geen antwoorden)</title><link>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,15,15#msg-15</link><description><![CDATA[ <b><i>In de 80’er jaren onderhield de Bond contacten met zusterbonden in de DDR en Tsjechoslowakije. Ds. Johannes Schmidt, voormalig voorzitter van de Bond in de DDR, kijkt nog eens terug. </i></b><br /><br />In november 2010 was Bert Louwerse bij mij op bezoek. Kort na het overlijden van mijn vrouw. Het deed goed om een lang bestaande vriendschap te vieren en met elkaar verdriet en vreugde te delen. Dat delen van verdriet en vreugde, en het leren van elkaar, waren ook belangrijke aspecten van de relatie tussen onze beide Bonden. Het begon in 1974 tijdens een vergadering van de Internationale Bond in Ewersbach. <b>Daar ontdekten we samen dat het in ‘het westen’ vaak even moeilijk en uitdagend is om christen te zijn als in ‘het oosten’.</b> En we beseften toen dat niet ‘alle Duitsers’ even fout waren. Hoogtepunt in de beleving van dat laatste was, als uitloper van de viering van het 100 jarig bestaan van de Bond, de viering van de Maaltijd van de Heer in de gemeente Goes. In die dienst mocht ik als Duits predikant voorgaan. Dat ervoer ik als een teken van vergeving en verzoening. Ik zal het nooit vergeten.<br /><br />De contacten in de Internationale Bond liepen vooral via de leidinggevenden. Zij ontmoetten elkaar op diverse conferenties en vergaderingen. Wij vonden met elkaar dat dit een goede zaak is, mits we ook probeerden andere lagen van ons werk met elkaar in contact te brengen. Dat was een belangrijk uitgangspunt voor de steun die Nederland heeft gegeven aan de bouw van het Grafehaus in Bad Klosterlausnitz. Het idee was dat het zou kunnen fungeren als een centrum voor Oost en West in een toen hopeloos verdeeld Europa. En dat heeft gewerkt. <b>Het Grafehaus herbergde internationale predikantenontmoetingen, gemeentecontacten tussen oost en west, en het diende bovendien als een oord van bezinning voor de Oostduitse gemeenten die leefden in een socialistische dictatuur.</b> Vooral de internationale predikantenconferenties hebben bijgedragen aan een beter begrip voor elkaar en brachten ook de gewenste blik over de grenzen voor de collega’s uit Oost Europa. Tijdens een van de conferenties bezochten we gezamenlijk het voormalig concentratiekamp Buchenwald. Een zeer indrukwekkende ervaring.<br /><br />De gemeentecontacten waren een ander aspect van de goede relatie tussen onze beide Bonden. Een vijftal gemeenten (een kwart van het aantal gemeenten in onze kleine Bond) onderhield goede contacten met gemeenten in Nederland. Het leidde tot bezoeken -soms over en weer!- aan elkaar. We konden delen in elkaars spiritualiteit. Het gaf ons in de context van de DDR bestaansrecht en legitimeerde onze vaak zo moeilijke positie als kerk. Maar vooral werkte het bemoedigend voor onze eigen mensen: elders zijn medezusters en –broeders, die het de moeite waard vinden ons te bezoeken en met ons te delen. Dat was van groot belang in een land waar christenen en zij die niet meeliepen met de overheid bepaald niet op de eerste plaatsen werden gezet. Integendeel. <b>En je kon ze vertrouwen, de gasten uit Nederland. Want zij onderhielden geen lijnen met het bewind, wat je van medeburgers in de DDR nooit met zekerheid kon zeggen.</b> Die openheid om vrijelijk en diepgaand van gedachten te kunnen wisselen, was voor ons van grote betekenis.<br /><br />De contacten met Nederland bestrijken historisch gezien maar een korte periode. Het hield feitelijk op met de val van de muur in 1989, toen onze Bond weer spoedig daarna een deel werd van de ‘gesamtdeutsche’ Bond. Maar de waarde er van stijgt voor mijn gevoel uit boven de lengteduur van de contacten. Ik hoop dat het iets heeft bijgedragen aan onze gemeenschappelijke roeping om vredestichters te zijn en dan niet alleen in geestelijke zin. Onze vrede is ook gelegen in de vrede van de stad, het land, waar de Heer ons geroepen heeft.<br /><br />De toekomst van de kerk ziet er getalsmatig gezien niet goed uit. Mijn bede is dat een nieuwe generatie, ook al beschikt zij over kleine kracht, in staat zal zijn op een geloofwaardige manier het Evangelie van Jezus Christus uit te dragen, uitgedaagd door de omstandigheden waarin zij zich bevindt, met een helende kracht, anderen winnend voor datzelfde Evangelie.<br /><br />Johannes Schmidt]]></description>
<dc:creator>Mooi</dc:creator>
<category>Uit het magazine</category><pubDate>Wed, 17 Aug 2011 07:46:54 +0000</pubDate></item>
<item>
<guid>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,14,14#msg-14</guid>
<title>Dordrecht (geen antwoorden)</title><link>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,14,14#msg-14</link><description><![CDATA[ <b><i>De vrije evangelische gemeente in Dordrecht is vanaf de start in 1885 betrokken geweest bij de Bond. Ds. Mooij, een van de oprichters van de Bond, was de eerste predikant van de Dordtse gemeente. De gemeente denkt tot op vandaag actief mee met het werk van de Bond. Trouw worden ook de conferenties van de SZD bezocht. Er is vanuit Dordrecht een aantal mensen uitgezonden naar zendingsgebieden. Er zijn regelmatig verkoopdagen gehouden voor zendingsdoelen.</i></b><br /><br />Dordrecht is altijd een warm voorstander geweest van contacten met andere geloofsgemeenschappen, zowel plaatselijk als wereldwijd. Enkele jaren geleden werden de diensten in de zomerperiode met de naburige Gereformeerde wijkgemeente om en om gezamenlijk georganiseerd. Door sluiting van hun kerkgebouw in onze wijk, kwam er een eind aan de prettige samenwerking. Aan het eind van de vorige tot in het begin van deze eeuw werden in de week van het gebed voor de eenheid van de christenen diensten gehouden in samenwerking met Katholieken en Gereformeerden. En<br />met Pinksteren troffen de gelovigen uit de drie wijkkerken elkaar in een pinkstermanifestatie, die als het weer het toeliet buiten plaatsvond.<br /><br />Ook neemt de gemeente vanaf het begin in de zeventiger jaren deel aan de Interkerkelijke Kommissie voor Aangepaste Arbeid (IKAA). Deze “Kommissie” houdt elke zondag een aangepaste kerkdienst voor mensen met een verstandelijke beperking. Ook onze gemeente treedt zo nu en dan als gastvrouw op. Internationaal was er contact met de Freie evangelische Gemeinde in het Oost-Duitse Gera. Die relatie heeft twintig jaar stand gehouden.<br /><br />De wereld buiten de gemeente komt op verschillende manieren binnen. Er zijn schrijfavonden geweest voor Amnesty International. Na enkele jaren stilte wordt er nu op de eerste zondag van de maand weer de gelegenheid geboden om brieven te sturen voor gevangenen over de hele wereld. In de tachtiger jaren speelde de toneelclub elk jaar een mooi bedrag bij elkaar voor een goed doel. De gemeente was ook betrokken bij de oprichting van richten we ons op onze wijk. De opbrengst van de oogstdienst was bestemd voor de voedselbank die aan de overkant is gevestigd.<br /><br />In oktober 2010 vierden we ons 25-jarig jubileum. Een prachtig feest. Zorgen zijn er omtrent het dalende ledental en de stijgende leeftijd. Onder Gods zegen gaan we door met in ons hoofd de zin: “Van U is de toekomst, kome wat komt.”<br /><br />Leo Bruinzeel en Inge Hageman]]></description>
<dc:creator>Mooi</dc:creator>
<category>Uit het magazine</category><pubDate>Wed, 17 Aug 2011 07:24:24 +0000</pubDate></item>
<item>
<guid>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,13,13#msg-13</guid>
<title>De wereld is een dorp geworden (geen antwoorden)</title><link>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,13,13#msg-13</link><description><![CDATA[ <b><i>Hij woonde aan de Amsterdamse Overtoom en had gevraagd of ik eens op bezoek wilde komen. Als buitenlander voelde hij zich een vreemdeling in de stad. Hij dacht dat onze gemeente hem wel een veilige plaats zou kunnen bieden.</i></b><br /><br />Op een zonnige dag in oktober zette ik mijn fiets zorgvuldig op slot en belde aan op het aangegeven adres. Er werd echter niet opengedaan. Ik twijfelde: zou dit wel het goede huisnummer zijn? Daarom maar even gevraagd bij de buren. Die waren wel thuis. Een Amsterdamse met ongekamde haren en een sigaret in de hand deed open. Of mijnheer ... naast haar woonde. Ze keek mij met grote verwonderde ogen aan. ‘U dacht toch zeker niet dat ik mijn buren ken? Vandaag woont er een Rus en morgen een Nigeriaan. Nee, ik kan u niet helpen.’ En dicht ging haar deur. Verbouwereerd ben ik toen maar naar mijn volgende afspraak gefietst. En ik dacht: hoe anders was het in mijn vorige gemeente Oldebroek. Daar wisten de buren vrijwel alles van elkaar. Als ik daar eens voor een gesloten deur dreigde te komen, dan werd er soms al van over de heg bij de buren geroepen: dominee, sie bint niet tuus. En vaak hoorde ik dan ook de reden van de afwezigheid en het tijdstip van thuiskomst.<br /><br /><b>Eenheidsworst</b><br />Ik moest aan dit voorval denken toen de redactie van MOO! mij vroeg om iets over de Bond in relatie tot de oecumene te schrijven. Ik moet eerlijk zeggen dat ik daar veertig jaar geleden anders over dacht dan vandaag. In die tijd deed Johannes de Heer zich gelden in onze gemeenten. En het door hem opgerichte Zoeklicht, waarin de ‘maranathaboodschap’ vrijwel iedere pagina vulde. Eén element uit die boodschap is, dat er een grote verdrukking aanstaande is, waar een wereldkerk (de hoer uit het boek Openbaring) de dienst zal uitmaken. En wie zou nu lid willen zijn van een kerk die zich ooit tot hoer<br />en daarmee tot tegenstander van God zou ontwikkelen? Vandaar dat ik veertig jaar geleden huiverig was voor grote kerkverbanden. Alles zou maar verwateren. Eenheidsworst! En onze Bond zou volledig ondergesneeuwd worden door de<br />grote kerken. Daarom deden we er goed aan om de andere kerken buiten de deur te houden. Zij hielden er een valse leer of verkeerde gewoonten op na. Nieuwsgierig Inmiddels ben ik wijzer geworden. De Bond is relaties aangegaan met andere kerken. In Nederland werden we in 2008 lid van de Raad van Kerken, waar we sinds 1986 alleen maar waarnemer‘ waren, en over onze grenzen in 1948 met de IFFEC (de internationale Bond van Vrije Evangelische Gemeenten) en in 2008 de WARC (World Alliance of Reformed Churches, nu World Communion of Reformed Churches). Onze wortels liggen in de opwekkingsbeweging uit de 19e eeuw en in de reformatie uit de 16e eeuw. Vandaar die twee internationale verbanden. Mijn aanvankelijke angst om ondergesneeuwd te raken werd niet bewaarheid. Het ‘Calimero-effect’ hebben wij onszelf aangepraat. In alle interkerkelijke contacten worden wij volstrekt serieus genomen. In een tijd van verregaande secularisatie kunnen we ons immers niet meer de ‘luxe’ veroorloven van het bestrijden van de ander! In een goddeloze omgeving zoek je medestanders. En die vond ik in gelovigen uit andere kerken en kringen.<br />In Amsterdam kenden wij het ‘Evangelisch Contact’. Een kring van een dertigtal kerken en parakerkelijke organisatie<br />die regelmatig bijeenkwam om ervaringen te delen en te bidden voor de stad. Let wel: dat ging van Vrijgemaakt<br />Gereformeerd tot Russisch- orthodox . We bezochten elkaars godshuizen en namen kennis van elkaars tradities.<br />De gebedsweek aan het begin van ieder jaar werd de laatste jaren georganiseerd door gelovigen uit de oecumenische en<br />de evangelische traditie. En zo kon het gebeuren dat je de ene avond bad in een vurige pinkstergemeente, terwijl je een<br />dag laten aanschoof in een liturgische dienst in een Rooms Katholieke kerk. Het was verfrissend en verruimend!<br />Kerkelijk gezien voelde ik mij in Amsterdam als in Oldebroek: je wilde alles van elkaar weten. De nieuwsgierigheid<br />won het uiteindelijk van de vrees voor het onbekende.<br /><br /><b>Geen opgelegde veranderingen</b><br /><br />De Bond heeft in 2008 een associatieovereenkomst gesloten met de Protestantse Kerk van Nederland. Heeft dit betekend<br />dat er op plaatselijk vlak veranderingen moesten worden ingevoerd? Moest er een kerkorde komen? Moesten er geloofsbelijdenissen worden ingevoerd? Niets van dat al. Wij mochten volstrekt blijven wie wij waren. Met al onze Binnenbondse verschillen. In de praktijk blijkt er op geen enkele wijze sprake geweest te zijn van de eenheidsworst waar ik veertig jaar geleden zo benauwd voor was. Integendeel. Geïnteresseerd vroegenanderen hoe wij de dingen geregeld hadden. Hoe wij omgingen met verschillen binnen de Bond en binnen de gemeenten. Niet vanuit een hooghartige positie, maar uit oprechte betrokkenheid.<br /><br /><b>De wereldkerk</b><br /><br />Maar hoe zit het dan met die aanstaande wereldkerk waar het boek Openbaring over spreekt? Ten eerste komt het woord ‘wereldkerk’ daar niet in voor. De hoer waarover daar wordt gesproken kan ook de stad Rome zijn. Het is een interpretatie. Het ligt er dus maar aan hoe je die teksten leest. In het Oude Testament wordt de vraag gesteld: Is er een manier om te bepalen of een profetie al dan niet van de HEER komt? (Deut. 18:21) En dan is het antwoord simpel: een<br />profetie die uitkomt is van de Heer. Als ze niet uitkomen dan was het niet van de Heer. Heb geen ontzag voor een profeet<br />die zich dat aanmatigt (Deut. 18:22). Het is aantrekkelijk om het wereldgebeuren te duiden in het licht van de bijbel. Dominees kunnen er volle kerken mee trekken. Maar als ze de plank misslaan dan moeten ze gerangschikt worden in de rij van de profeten waar je geen ontzag voor moet hebben. Het is volstrekt onzeker of er ooit een ‘wereldkerk’ zal komen. Wat er wel komt – en we zien het voor onze ogen gebeuren-  is een toenemend respect voor elkaar. En dat respect komen we ook weer tegen in onze beginselverklaring waar wij belijden de ongeveinsde broederhand te willen toesteken aan allen die met ons in de Here Jezus Christus geloven. Jezus bad om de eenheid van allen die in Hem zouden gaan<br />geloven. (Joh. 17:21) Hij wist kennelijk hoe verdeeld zijn volgelingen zouden worden. Maar een verdeelde kerk zou geen<br />indruk maken op de wereld. Daarom bad Jezus om éénheid… opdat de wereld in Hem zou gaan geloven.<br /><br /><b>Aangewezen op elkaar</b><br />In feite hebben wij nooit hoge kerkmuren gehad. Veel vrijevangelische mensen kwamen uit andere kerken. Zij wisten hoe het er elders aan toe ging. Ieder had zijn of haar eigen reden om de overstap naar de Bond te wagen. Maar zij stoorden<br />zich er niet aan dat de voorgangers in de vrije evangelische gemeenten ook toga’s droegen, dat er bij huwelijksdiensten dezelfde formulieren werden gebruikt en dat er veelal uit dezelfde liederenbundels werd gezongen. Wat hen aantrok was de huiselijke sfeer, het gevoel van saamhorigheid, de eenvoud in de prediking of… een huwelijkspartner. In een stad ken je je buren niet; in een dorp ligt dat anders. Daar weet je dat je op elkaar bent aangewezen. In tijden van vreugde en in tijden van verdriet. Toen wij onze zilveren bruiloft vierden maakten onze buren voor onze deur een ereboog. En de meesten van hen gingen niet naar onze kerk! Toch deelden zij van harte in onze vreugde. Zo doe je dat op een dorp.<br />De wereld is een dorp geworden. Via de nieuwe en de oude media kunnen we in elkaars huiskamers en in elkaars kerkzalen kijken. En we ontdekken daar misschien ook nog nieuwe dingen die wij aan onze oude schat kunnen toevoegen.<br /><br />Dick Durieux]]></description>
<dc:creator>Mooi</dc:creator>
<category>Uit het magazine</category><pubDate>Wed, 17 Aug 2011 07:20:01 +0000</pubDate></item>
<item>
<guid>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,12,12#msg-12</guid>
<title>Hoe bouwen Vrije Evangelischen hun kerkgebouwen? (geen antwoorden)</title><link>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,12,12#msg-12</link><description><![CDATA[ <b><i>Vrije Evangelischen zullen niet veel met kerk als instituut hebben. Geldt dat ook voor het gebouw waarin zij hun geloof verwoorden en beleven? Welk gezicht toont zij met haar kerkgebouw?</i></b><br /><br />Bij onderzoek stuit je op verrassende elementen. Zo blijken gebouwen uit de 19e eeuw veel van elkaar weg te hebben. Ontlenen zij deze bouw aan eigen gedachtegoed? Of zijn zij te rangschikken onder hoe elders over kerkbouw werd gedacht? Een antwoord wordt onderbroken door een ander punt. We komen eenzelfde familienaam tegen. De schare Mooij is op veel plaatsen voorganger geweest en elkaars opvolger. Vooral na de tweede wereldoorlog komt de coleur locale boven. En de bouw en inrichting komen op een ‘laag’ te noemen niveau: toegankelijk, bescheiden centrum, meer aandacht voor de tafel, minder voor de stoel. En als je niet zelf laat bouwen? Maar in de omgeving verkeert waarin een gebouw beschikbaar komt. De vorige gemeente is uit haar jasje gegroeid of andere eisen aan een gebouw gaan stellen. Wat koop je dan?<br /><br /><b>Gooise stijl in Bussum</b><br />Het gebouw ligt aan de rand van chique wijken met statige huizen en parkachtige sfeer. In 1959 werd de kerk van de uiteengevallen Hersteld Apostolische gemeente gekocht. Het kerkje aan de Veldweg was te klein geworden en werd verkocht. Dat was begin jaren ’30 nog in eigen beheer gebouwd. Het huidige gebouw draagt kenmerken uit haar omgeving en van architecten als Dudok, die in deze omgeving sporen heeft nagelaten in de stijlen en gebouwen van het Gooi. Lange lijnen, stenen dwars neergelegd, veel lichtinval, strakke uitvoering, grote overkapping. Van de buitenkant is binnen veel te zien. Het gebouw is op zijn tweede hoogte zeer transparant. Het liturgisch centrum is op lage voet terechtgekomen; zaal en centrum lopen als het ware in elkaar over.<br /><br /><b>Het Sukkeloaden kerkje van Winschoten</b><br />In 1874 wordt de gemeente geïnstitueerd en ontvangt zij haar eerste predikant, ds. Marinus Mooij. Hij wordt opgevolgd door broer Arend. In zijn periode wordt het kerkgebouw betrokken. Arend wordt opgevolgd door een andere broer: Albert Marinus. Deze is de vader van een vierde Mooij in Winschoten: Maarten Johannes. Al vroeg kreeg het kerkje uit 1876 de bijnaam ‘sukkeloaden kerkje’ omdat er tijdens feestelijke gelegenheden chocolademelk geschonken werd waar elders alcohol werd gebruikt. Door toepassing van klassieke architectuur heeft de architect getracht aanzien en een religieus stempel mee te geven, typerend voor de eclectische bouwstijl die aan het eind van de eeuw representatief is. Het is een zaalkerkje onder een zadeldak met aan de straatzijde de entree. Door haar ligging is zij beeldbepalend. De gevel is een combinatie van halsvorm en tuitgevel, het pleisterwerk suggereert een trap. Hiertussen is een timpaan aangebracht. Op de plaquette is het bekende gedeelte uit Johannes 3:16 geschreven. De bankjes op de foto staan op het balkon en zijn de oorspronkelijke bankjes uit het interieur. De rest van het interieur is vernieuwd.<br /><br /><b>De vlieger van Nieuwvliet c.a.</b><br />In jaren gemeten dalen we af. En komen halverwege de 19e eeuw terecht. Onder leiding van broeder, later ds. Wouter de Smidt wordt de gemeente vanuit Groede begonnen. Dan komen we opnieuw een Mooij tegen, ds. Arend. Reeds in haar Begin strijkt de gemeente neer in Nieuwvliet, in het kerkje aan de Bavodijk. Later komen Breskens, Cadzand en Retranchement, sinds 1890alle met eigen kerk. Begin 21e eeuw wordt besloten de samenkomsten op één plaats te houden. Weer wordt in Nieuwvliet gebouwd. Het is alsof een vlieger is neergestreken, met een artistieke vingerwijzing. Alles is op de begane grond, vanaf het plein zul je geen trede meer tegenkomen. Je loopt als het ware bij elkaar en de Heer in en uit.<br /><br />Ed van den Berg]]></description>
<dc:creator>Mooi</dc:creator>
<category>Uit het magazine</category><pubDate>Wed, 17 Aug 2011 07:11:41 +0000</pubDate></item>
<item>
<guid>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,11,11#msg-11</guid>
<title>Liefde voor Israël (geen antwoorden)</title><link>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,11,11#msg-11</link><description><![CDATA[ <b><i>Van oudsher voelen Vrije Evangelische Gemeenten zich verbonden met Israël. Maar de redenen voor die verbondenheid en de wijze waarop kunnen in de loop van de tijd, en in de loop van een mensenleven, veranderen.</i></b><br /><br /><b>1881</b> In de kerkelijk gezien turbulente 19e eeuw, verenigde in 1881 een aantal gemeenten die zich niet konden vinden in<br />de ontwikkelingen binnen de Nederlands Hervormde Kerk zich in de Bond van Vrije Christelijke Gemeenten (later de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten). Hoewel een van de belangrijke uitgangspunten was dat iedere gemeente een grote mate van zelfstandigheid had waren er toch ook grote overeenkomsten. Door hechte banden met de Réveilbeweging was er in alle aangesloten gemeenten veel aandacht voor de messiaanse toekomst en de rol van Israël daarin. In de beginselverklaring werd dit als volgt verwoord: “Levende in de verwachting van de komende Christus, – die komen zal om alle dingen weder te brengen, die gesproken zijn door de profeten van alle eeuwen–, zien we ons geroepen om naar vermogen te zorgen, dat het Evangelie tot een getuigenis gepredikt wordt aan alle volken, en achten we ons genoopt, ons aangezicht naar Jeruzalem te keren, waar God Zijn volk Israël weer vergaderen zal en waar onze Heer, die daar geleden heeft, ook verheerlijkt zal worden.” De charismatische evangelist Johannes de Heer maakte in de 20e eeuw deze Maranatha-boodschap tot een belangrijk onderdeel van de prediking.<br /><br /><b>1967</b> Ten tijde van de oorlog in het Midden Oosten die de hele wereld zes dagen in zijn greep hield, zat ik als jong meisje onder het gehoor van een charismatische prediker bij de Vrije Evangelische Gemeente in Groningen. Ik weet niet meer wie het was, maar wat er gezegd werd staat me nog helder voor ogen. De feiten die ons bereikten via de media werden door de voorganger zorgvuldig naast de Bijbel gelegd en toonden ons zo wat God aan het doen was. Want dat dit het werk was van hogere machten stond als een paal boven water. Aan de ene kant stonden de kwade machten die het op Israël gemunt hadden en aan de andere kant stond de God van Israël die in Zijn trouw had besloten zijn volk niet in de steek te laten, maar te “voleinden wat Zijn hand was begonnen”. De prediking werd krachtig versterkt door de liederen die werden gezongen. Eén daarvan was wellicht Lied 676 uit de bundel van Johannes de Heer (geciteerd uit de 21e uitgave):<br /><br /><i><center class="bbcode">Merkt toch op der tijden teek’nen<br />’t Bloeien van de vijgeboom!<br />Moet dit alles u voorbijgaan?<br />Op! ontwaakt toch uit uw droom!<br /><br />’t Uur genaakt, bid en waakt!<br />Blijft volharden in de strijd;<br />Laat uw lampen helder schijnen,<br />Houd u voor Zijn komst bereid.<br /><br />Ziet gij niet hoe ’t einde nadert,<br />Van der heid’nen heerschappij;<br />Hoe zich Isrel weer vergadert,<br />Palestina weer wordt vrij?</center></i><br /><br />Terug kijkend was dit de periode waarin ik me voor het eerst betrokken voelde bij de politieke situatie in Israël en waarin, door de manier waarop er thuis en in de Kerk over werd gesproken, een liefdeskiem werd geplant voor Israël en het Joodse volk. Die liefde werd later verder gevoed door de enthousiaste verhalen van mensen die naar Israël gingen en<br />getuigden van het wonder dat zich daar aan het voltrekken was. Ik herinner me levendig het getuigenis van ds W.E. van<br />Petegem die vertelde over de woestijn die hij had bezocht, en die overeenkomstig de profetie van Jesaja 35 “bloeide als een roos”, waarna uit volle borst het lied “De dorre vlakten der woestijnen” (Johannes de Heer 661) werd aangeheven.<br /><br /><b>Dat was mijn persoonlijke bagage</b> toen ik zelf in 1979 voor het eerst in Israël kwam voor de studie van mijn man. Het beeld dat wij daar aantroffen was in niets te vergelijken met dat wat zich voor mijn geestesoog had gevormd. We woonden in de luxe universiteitswijk Ramat Aviv in het mondaine Tel Aviv. Het was een snelle Westerse samenleving waar religie amper een rol speelde. Politiek gezien was het toen relatief rustig, er werkten veel Palestijnen in Israël en Joodse Israëli’s gingen onbekommerd eten in Arabische dorpen. Er was nog geen scheidingsmuur en daardoor was er vrij verkeer tussen Israël en de Palestijnse gebieden. Toen we na een jaar terug kwamen in Nederland besloot ik Semitische Talen en Culturen te gaan studeren in Groningen. Voor het afronden van die studie ging ik in 1987 nog een half jaar terug naar Israël, dit keer naar Jeruzalem. De situatie was toen heel anders. Ik woonde in Jeruzalem en de eerste intifada was net uitgebroken. De studenten op de campus waar ik woonde moesten ’s nachts wacht lopen tegen aanslagen. Deze nieuwe situatie leidde tot veel spanning tussen de Arabische en de Joodse studenten en van mijn aanvankelijke plan om zowel met de Arabische studenten om te gaan als met de Joodse kwam daardoor niet veel terecht. Ik begaf me voornamelijk onder Joodse vrienden en deelde daardoor hun angst voor de Palestijnen.<br /><br /><b>Pas veel later</b> werd ik me bewust van de eenzijdigheid van het beeld dat ik had van Israël en van de politieke situatie en kreeg ik oog voor het leed dat de Palestijnen was aangedaan door de oprichting van de Staat Israël en de daaropvolgende veiligheidspolitiek. Dit bracht een zekere geloofscrisis bij me teweeg: hoe zat dat nou met die wonderen die God “voor onze ogen in onze dagen” had verricht voor Zijn volk Israël? Was het wel Gods werk of was het mensenwerk? Dezelfde twijfel zag ik bij veel generatiegenoten en het grote enthousiasme waarmee velen zich in de decennia na de ’67 oorlog hadden gestort op de studie van het Jodendom nam zichtbaar af. Dat gebeurde niet bij mij, ik ben nog steeds diep geïnteresseerd in zowel volk als land, maar mijn aanvankelijke “blinde verliefdheid” is wel veranderd in een meer kritische betrokkenheid.<br /><br /><b>Doordat ik na mijn huwelijk</b> de Vrije Evangelische Gemeente had verruild voor de Gereformeerde Kerk waar mijn man toe behoorde, zijn de ontwikkelingen in de VEG vanaf de 80er jaren grotendeels aan me voorbij gegaan. De warme herinneringen waren echter gebleven en ik was daarom blij toen er in 2007 een samenwerkingsovereenkomst werd getekend tussen de PThU en de VEG voor de predikantsopleiding.<br />Door lezing van de brochure “Niet gij draagt de wortel… Theologische achtergronden bij het beleid van de Kommissie Dienst aan Israël” uit 1996 zag ik dat de ontwikkeling die ik persoonlijk had doorgemaakt ook niet aan de Vrije Evangelische Gemeenten voorbij was gegaan. Men is voorzichtiger geworden in het spreken over de Staat Israël als<br />een Godswonder en bescheidener in de houding ten opzichte van het Joodse volk. Maar de liefdevolle verbondenheid met<br />Israël is en blijft onopgeefbaar. Bij de verjaardag van de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten wens ik de Bond toe dat<br />onder haar leden deze liefde voor Israël nooit zal wijken.<br /><br />Dineke Houtman]]></description>
<dc:creator>Mooi</dc:creator>
<category>Uit het magazine</category><pubDate>Wed, 17 Aug 2011 07:07:18 +0000</pubDate></item>
<item>
<guid>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,10,10#msg-10</guid>
<title>Marja (1917 - 1964) (geen antwoorden)</title><link>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,10,10#msg-10</link><description><![CDATA[ Jongeren hebben behoefte aan mensen met wie zij zich kunnen identificeren. Dat blijkt voor veel jongeren in de jaren ’60 van de vorige eeuw een probleem te zijn. Men zet zich af tegen de vorige generatie. Vooral in het onderwijs, de plaats waar van nature veel jongeren zijn, leidt dat tot rumoerige toestanden. Studenten aan de Theologische School van de Bond vormen daarop in die tijd geen uitzondering. Ze vinden voor hun gevoel amper aansluiting bij de oudere predikanten. Misschien is dat een reden waarom ze zich herkennen in de poëzie van de dichter A. Marja (pseudoniem van Theo Mooij, zoon van ds. M.J. Mooij, die van 1945 – 1948 rector was). Ik was in de zestiger jaren een van die studenten. We waren eigenlijk niet zo zeer geïnteresseerd in literatuur of poëzie. Hier was een telg uit een in Vrije Evangelische kringen beroemd voorgangersgeslacht die de moed had om zich tegen (groot)vaders en ooms af te zetten. Die zelfs zijn diepe geloofstwijfel durfde uit te spreken. Maar die tegelijkertijd diep in zijn binnenste wist dat het hem nooit zou lukken om er vrij van te komen. Dat raakte ons. In het gedicht ‘Vrijdenker’ schreef hij:<br /><br /><i>Hij denkt zich van U vrij maar wat hem onderscheidt van wie bericht rondzendt dat Gij te kennen zijt, het is -wie hij ook zijdat men ervaart altijd: hoe feller hij ontkent, hoe dieper hij belijdt.</i><br /><br />Marja zette zich af tegen zijn opvoeding, het geloof van zijn vader en de burgerlijke mentaliteit van zijn tijd. Hij was berucht om zijn ‘practical jokes’, die niet altijd even smaakvol waren. Hij paste goed bij studenten als wij, die een vermoeden hadden dat dingen anders zijn dan hun werd voorgehouden, en hij voedde hen met zijn balorigheid maar ook met zijn zoektocht naar doorleefde waarheid. Zoals in ‘Confessio Mystica’:<br /><br /><i>Hoe zal ik van U spreken waar zovelen reeds meenden dat zij, met of zonder schuld, wel met uw schijngestalten<br />mochten spelen al bleef dan ook uw wezen hen verhuld. Ik weet te goed, nog eer ik ben begonnen mijn mond te openen, hoe uw bestaan, zodra het met mijn woorden wordt omsponnen, zich oplost en opnieuw heeft afgedaan. En pas wanneer ik ook in eigen wezen zowel uw schijn als werkelijkheid ontken, ontvlamt het licht waarin ik iets kan lezen dat zich misschien laat duiden als: Ik ben.</i><br /><br />Ik kan me voorstellen dat nu, bijna 50 jaar na zijn dood, mensen vreemd opkijken van deze dichter uit VE huize, terwijl anderen door zijn gedichten misschien weer worden aangesproken. Je moet soms door een ironische buitenkant heenkijken om te zien dat hier een mens spreekt met een diep verlangen naar echtheid. Ondanks zijn in onze moderne oren barokke taal, heeft hij ons nog steeds veel te zeggen.<br /><br />Bert Louwerse]]></description>
<dc:creator>Mooi</dc:creator>
<category>Uit het magazine</category><pubDate>Wed, 17 Aug 2011 06:59:01 +0000</pubDate></item>
<item>
<guid>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,9,9#msg-9</guid>
<title>Beverwijk (geen antwoorden)</title><link>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,9,9#msg-9</link><description><![CDATA[ <b><i>De Vrije Evangelische Gemeente in Beverwijk,<br />een groeiende gemeente van toegewijde volgelingen<br />van Jezus Christus.</i></b><br /><br />Onze gemeente is eind jaren ‘50 ontstaan vanuit een Maranatha beweging. Contacten met de VEG in Zaandam en eenzelfde geloofsvisie heeft tot ons lidmaatschap geleid op 6 juli 1961 van de Bond.<br /><br />In 2010 hebben we ons jubileum gevierd met als thema ‘In Jezus voetspoor…’ We hebben niet alleen dankbaar terug gekeken, we zijn opnieuw aangemoedigd om God, Gods Woord en onze naaste serieus te nemen. Dit is en blijft ons fundament. Wij kennen in onze gemeente Gemeente Groei Groepen en gebruiken materiaal van het Evangelisch Werkverband. In huiskringen lezen we een bijbelgedeelte, gaan we met elkaar in gesprek hierover en leren we dit toe te<br />passen in ons leven. Ook bemoedigen we elkaar als we het moeilijk hebben. We behandelen dit jaar het Johannes-evangelie, om te ontdekken wie Jezus is, hoe we Zijn kind worden en hoe we Hem moeten volgen. Gebed neemt een belangrijke plaats in bij ons, onder andere tijdens de bidstond. God wil dat we Hem eren en danken, Hij is onze Vader. Ook mogen we onze zorgen en problemen aan Hem voorleggen. We bidden voor onze gemeente, dat we een getuige mogen zijn voor onze omgeving. We vragen of de Heilige Geest kracht wil geven en ons wil vullen, zodat we meer en meer een toegewijde volgeling van Jezus Christus mogen zijn. Ook heeft persoonlijke voorbede een plaats gekregen in onze gemeente. Twee mensen bidden voor de persoon die zelf om gebed komt vragen.<br /><br />Kinderen krijgen gedurende een gedeelte van de kerkdienst een eigentijds en creatief programma aangeboden maar worden ook vaak betrokken in de dienst. ‘On Line’ is de naam voor het jongerenwerk. We willen hen in contact brengen met God en met elkaar. De thema’s die behandeld worden sluiten aan bij de geloofsbeleving en voorzien in de behoefte om meer te weten te komen over wie God is, waarom geloven in Hem belangrijk is en hoe je dit in de praktijk kunt leren en kunt toepassen. Met andere kerken en gemeenten willen we mensen in onze woonplaats met het evangelie bereiken. We doen dit graag samen, daarom bundelen we onze krachten in diverse evangelisatie activiteiten. Tijdens ons jubileum was Opwekking 687 het thema<br />lied, waarvan we hopen dat velen dit persoonlijk kunnen (gaan) belijden:<br /><br /><i>Heer, wijs mij Uw weg, en leid mij als een kind<br />Dat heel de levensweg slechts in U richting vindt.<br />Als mij de moed ontbreekt om door te gaan<br />Troost mij dan liefdevol en moedig mij weer aan.</i><br /><br />Kees Poortvliet]]></description>
<dc:creator>Mooi</dc:creator>
<category>Uit het magazine</category><pubDate>Wed, 17 Aug 2011 06:54:02 +0000</pubDate></item>
<item>
<guid>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,8,8#msg-8</guid>
<title>De Helpende Hand als pijler van het vrouwenwerk. (geen antwoorden)</title><link>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,8,8#msg-8</link><description><![CDATA[ <i>Kort na de Tweede Wereldoorlog neemt een groep vrouwen het initiatief om vakantieweken te organiseren voor oververmoeide huisvrouwen. Tijdens de oorlog hebben de initiatiefnemers ervaring opgedaan met ‘organiseren’.</i><br /><br />Onder leiding van mevrouw Ina Peschar worden kinderen vanuit de grote stad ondergebracht bij gezinnen in de provincie. Zij is een vrouw die het leidinggeven optima forma in zich heeft. Onvermoeibaar, vindingrijk en bezielend lukt het haar altijd om anderen te enthousiasmeren en mee te laten werken aan het concretiseren van goede ideeen. Van de vakantieweken in de oorlog voor kinderen naar vakantieweken voor oververmoeide huisvrouwen na de oorlog is daarmee niet zo’n grote stap. Van de deelnemers wordt een kleine bijdrage gevraagd. Voor wie het niet kan betalen springt de diaconie bij.<br /><br /><i>In de begin jaren</i> is de accommodatie zeer primitief. Wastafels ontbreken op de slaapzalen. Voor hulpbehoevende<br />gasten wordt heen en weer gelopen met kleine afwasteiltjes met water. Er is geen lift, er zijn geen hoog-laag bedden.<br />Uit gemeenten in de omgeving van de plaats waar de gasten verblijven, komen gemeenteleden hand en spandiensten<br />verrichten. Emmers vol aardappelen schillen bijvoorbeeld! Daarnaast verschonen ze bedden en wandelen ze met de gasten.<br /><br /><i>De doelgroep</i> wordt al snel verbreed naar ‘hulpbehoevende mensen’: ouderen, mensen met een handicap. Het werk krijgt de naam ‘Helpende Hand’ en professionaliseert in de loop der jaren met behoud van de kern: liefdevolle aandacht voor de gasten. De waardering van zowel de gasten als de bondsgemeenten voor deze diaconale tak van het Vrouwenwerk is groot. Ook op andere manieren vullen vrouwen diaconale verantwoordelijkheid in. In veel plaatselijke gemeenten ontstaan de zogenaamde ‘zendingskransen’, waar onder meer gewerkt wordt aan het vullen van Kerstkisten met naai- en breiwerk voor de zending. De drijfveer van de vrouwen uit de beginjaren is goed verwoord in de zinsnede uit het oude zusterlied: ‘Gezegend en anderen tot zegen’. Met name uit de zendingskransen ontstaan later de vrouwengroepen.<br /><br /><i>In de naoorlogse periode</i> zoeken vrouwen uit diverse Bondsgemeenten samen allerlei wegen om de saamhorigheid terug te vinden die door de oorlogsjaren onder druk heeft gestaan. Zij organiseren bezinningsdagen waar vragen uit de samenleving aan de orde worden gesteld en in het lich tvan de bijbel worden besproken. De thema’s die zij kiezen zijn<br />nogal eens vooruitstrevend. Niet elke kerkenraad is er even blij mee als vrouwen uit hun gemeente aan de bezinningsdagen deelnemen. Het bestuur van het Vrouwenwerk baseert haar activiteiten op de grondgedachte dat wat je aan vrouwen leert en doorgeeft via hen in gezinnen aan de orde komt en vervolgens op de agenda van de gemeenten.<br /><br /><i>Terugkijkend</i> kun je constateren dat de emancipatie van vrouwen binnen onze gemeenten, daadwerkelijk begonnen is met de initiatieven van Ina Peschar tijdens de oorlog. Het bewustwordingsproces van eigen kunnen en willen, is daarna<br />niet meer tegen te houden. Op de landelijke besturendagen worden leden van de plaatselijke verenigingen toegerust voor bestuurswerk.Veel vrouwen kunnen hierdoor later goed functioneren binnen de kerkenraden. Jaarlijks vindt een Vrouwenontmoetingsdag plaats waar vele gemeente overstijgende contacten worden opgedaan. Begin vijftiger jaren is het Vrouwenwerk uitgegroeid tot volwaardig Bondswerk. In 1953 wordt een verzoek ingediend bij het comité om het Vrouwenwerk deze status te verlenen. Dit verzoek wordt ingewilligd. Vanaf dat moment verbinden de gemeenten zich financieel en practisch aan het diaconale en vormende werk van de vrouwen.<br /><br /><i>In de jaren die volgen</i> sluit het Vrouwenwerk zich aan bij diverse oecumenische verbanden zoals het Oecumenisch Vrouwencontact en Vrouw Kerk Wereld. Opnieuw komen via deze brede contacten nieuwe thema’s de Bond binnen. De vrouwen nemen het voortouw bij het bespreekbaar maken van maatschappelijke en politieke issues! In die beide ontwikkelingen van diaconaat en vorming vanaf de Tweede Wereldoorlog is het Vrouwenwerk voor de Bond een<br />voortrekker geweest om vanuit het christelijke geloof een plaats in te nemen in de gemeenten en in de samenleving.<br /><br />Betsy de Boer van Bruggen]]></description>
<dc:creator>Mooi</dc:creator>
<category>Uit het magazine</category><pubDate>Wed, 17 Aug 2011 06:49:41 +0000</pubDate></item>
<item>
<guid>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,6,6#msg-6</guid>
<title>Mooi Een ambt (1 antwoord)</title><link>http://mooi.bondveg.nl/phorum/read.php?3,6,6#msg-6</link><description><![CDATA[ <b><u>voor een vrouw!</u></b><br /><br /><i>‘Eind jaren zestig meld ik mij bij de Theologische School van de<br />Bond van Vrije Evangelische Gemeenten. Ik wil theologie gaan<br />studeren en omdat ik ben opgegroeid in een V.E.G. lijkt het me<br />logisch om dat bij de Bond te gaan doen. Het blijkt dat ik bij de<br />opleiding de eerste vrouwelijke student ben. In mijn argeloosheid<br />en onbekendheid met de vele haken en ogen van het kerkelijk<br />bedrijf, heb ik er nooit bij stilgestaan dat het niet mogelijk zou<br />zijn om theologie te gaan studeren omdat ik als vrouw geboren<br />ben. Er gaat een wereld voor me open!’</i><br /><br /><b>Een gemiste kans</b><br />Ik kan me niet meer herinneren wanneer en waar ik zelf de eerste vrouwelijke ambtsdrager zag. Blijkbaar heeft het niet zoveel indruk op me gemaakt en vond ik het heel gewoon. Het valt dus ook niet meer te achterhalen of het een diaken, een<br />ouderling, of een predikant betrof. In de kwestie ‘vrouw en ambt’ kan het namelijk nog wel eens verschil maken om welk<br />ambt het gaat. Een diaken staat voor het gevoel van veel mensen toch wat lager op de ladder dan een ouderling. Bovendien is de taak van een diaken vaak heel praktisch. Daarom zie je nog wel eens dat in gemeenten waar ‘de vrouw in het ambt’ een probleem is, men begint met een vrouwelijke diaken. Daar kunnen ze niet zoveel kwaad doen, en misschien zelfs goed. Vlak na de Tweede Wereldoorlog zei mevrouw Van Vliet, presidente van het landelijk vrouwenwerk: ‘In de vrouwenverenigingen wordt het gemis aan vrouwelijke ambtsdragers opgevangen.’ Het gemis aan vrouwelijke ambtsdragers werd dus wel gevoeld. In de vrouwenverenigingen, maar ook in kerkenraden. Want we spreken over de tijd waarin het gebruikelijk was dat de diaken een kijkje bij de mensen thuis nam omte beoordelen of de gevraagde diaconale steun wel goed terecht zou komen. Betrof het wel echt een armoedig, doch proper huishouden? Naast de publieke wekelijkse kerkgang was het kijkje achter de voordeur noodzakelijk om de aanvraag te beoordelen. En wie kon dat beter dan een vrouw, die zelf immers alles wist van het huishouden? Fijn dus dat de vrouwelijke diaken dit wilde doen.<br /><br /><b>Mannen gevraagd</b><br />Een vrouwelijke ouderling is een andere zaak. Een ouderling heeft als taak om te denken, te beslissen, te besturen, mee te<br />praten. De nadruk ligt op praten en minder op je handen laten wapperen. Heeft de apostel Paulus niet gezegd dat de vrouw<br />moet zwijgen? Zowel mannen als vrouwen wijzen op deze bijbeltekst als ze het hebben over de vrouw in het ambt. Totdat<br />het moment daar is dat er geen mannen meer te vinden zijn voor het wondere ambt. Dan neigt men ertoe om de tijdgebondenheid van de uitspraken van Paulus te erkennen. Door de situatie gedwongen, gaat men de bijbel met andere ogen lezen. Dan komen er vrouwen in de kerkenraad. Niet door een veranderde schriftopvatting, maar omdat er geen mannen meer zijn.<br /><br />Zo begon ik dus aan de studie theologie. Studeren aan de eigen bondsopleiding mocht vanaf 1969 maar, zo werd er uitdrukkelijk bijgezegd, een beroep uit een gemeente kon niet worden gegarandeerd. Dat kon natuurlijk ook niet aan een<br />mannelijke kandidaat worden beloofd, maar tegen een man hoefde het niet expliciet gezegd te worden. Voor het te behalen preekconsent en het vervullen van de gemeentelijke stage werden vrouwvriendelijke gemeentes gezocht. Maar moeizaam blijft het, in de jaren ’70 en ’80.<br /><br /><b>Het ambt van gelovige</b><br />Toch is het eigenlijk vreemd dat congregationalisten moeite hebben met de vrouw in het ambt. Zij immers leggen grote nadruk op het ambt van gelovige. Een ambt dat ieder lidmaat, vrouw of man, past. De gemeente bestaat, zo gezien, uit louter ambtsdragers. De zogenaamd bijzondere ambten worden aan het ambt van gelovige gerelateerd. Dus wat is nu eigenlijk het probleem? Wie consequent wil zijn, zou moeten redeneren: als je geen vrouwelijke ambtsdragers wilt, dan ook geen vrouwelijke lidmaten.<br />In het congregationalisme is de plaatselijke gemeente het hart van de kerk. Het ambt is niet aan personen geschonken, maar aan de gemeente. Bovendien kent het congregationalisme geen noodzaak tot heilsbemiddeling, ook een functie die bij het ambt hoort. De spiritualiteit wordt niet bemiddeld door ambtsdragers, maar door de Heilige Geest.<br /><br />Het woord ambt stamt uit de Grieks-Romeinse staatsinrichting: het definieert de regeermacht van gevolmachtigde overheidspersonen. Die opvatting van ambt wordt in het Nieuwe Testament niet gebruikt voor mensen die werkzaam<br />zijn in dienst van het evangelie. Daar wordt altijd het woord diakonia of charisma gebruikt. Bovendien werd in<br />het Nieuwe Testament de opdracht tot voortzetting van het werk van Christus niet aan gewijde personen gegeven, maar aan een groep volgelingen: mannen en vrouwen, die door de Geest werden aangeraakt, zo vertelt het pinksterverhaal.<br />Al snel hebben mannelijke ambtsdragers het gezag van Christus naar zich toe getrokken, geclaimd en vertaald in institutionele macht. Ambt wordt synoniem voor mannelijk regeren. Calvijn haalde met de ambten van ouderling en diaken de leken in het bestuur binnen. Aldus ontstond er een onderscheid tussen vrijwillige ambtsdragers (dat zijn we allemaal), vrijwillige bijzondere ambtsdragers (ouderlingen en diakenen) en professionele door de gemeente aangestelde ambtsdragers (dominees en pastoraal werkers).<br /><br /><b>Een mooi ambt voor een vrouw</b><br />Eind jaren zestig verscheen in de Bond het rapport ‘Vrouw en ambt’. Het was een tijd waarin veel veranderde en overhoop<br />werd gegooid. Studenten klommen op de barricades, vrouwen kregen de beschikking over de anticonceptiepil, en er werd<br />formeel vastgelegd dat de vrouw binnen het huwelijk niet langer ondergeschikt is aan de man. Dit alles had gevolgen voor<br />de wijze waarop men naar de vrouw in het ambt ging kijken. Sommige mannen vonden het toch wel meevallen, een vrouw<br />op de kansel. Sommige vrouwen zeiden: ‘Wij hoeven dat hele ambt niet, er kleeft teveel mannelijk haantjesgedrag aan.’ Toch was er iets aan dat ambt veranderd. De vanzelfsprekende koppeling met de institutionele macht was minder vanzelfsprekend geworden.<br /><br /><b>En hoe is de situatie nu?</b><br />De meeste V.E.G. kennen vrouwelijke ambtsdragers. Misschien is het ambt, zoals met meer mannelijke functies is gebeurd, gefeminiseerd en daardoor in aanzien gedaald. Van oudsher zijn er twee kanten aan het Nieuw Testamentische ‘ambt’: de diakonia, de dienende kant, en de charisma, de kant van de gave. Aanvankelijk werd de ‘dienende’ opvatting van het ambt ingezet om mannen anders te laten denken over het ambt en om vrouwen toe te laten. Wie het ambt als<br />charisma, als gave beschouwt, schept ruimte voor vrouwen en jongeren. Dan kan iedereen van harte zeggen: wat een mooi geschenk, vrouw en ambt!<br /><br />Dineke Spee]]></description>
<dc:creator>Mooi</dc:creator>
<category>Uit het magazine</category><pubDate>Wed, 17 Aug 2011 06:43:23 +0000</pubDate></item>
</channel>
</rss>